Geuren, geluiden en gevoelens van de stad 

Vandaag legde ik voor de zoveelste keer het traject af van de winkel naar mijn kot. Ik besloot de ongestructureerde inhoud van mijn gedachten neer te pennen, want dit is wat de stad voor mij betekent: hoe vaak ik ook dezelfde weg afleg, elke ervaring is uniek. 

Tekst: Jane Frippiat

Zeven blikjes bier van het huismerk. Geen kleine pinten, bijna halve liters, liggen in de ondersteunende armen van een man. Een enkeling glijdt en valt op de grond. Ik buk me, raap ze op. Wanneer mijn ogen de zijne treffen, zie ik eerst een blik van schrik, alsof hij verwacht dat ik er heel snel mee zou wegrennen. In een fractie van een seconde beeld ik mezelf in dat ik er inderdaad mee zou kunnen wegrennen. Waar naartoe, weet ik niet. Gewoon om te zien wat er zou gebeuren. Als ik hem het blikje aanreik, zie ik dankbaarheid. Hij draagt een onverzorgde baard waarin zwart en grijs zich vermengen, een muts hangt slap op zijn hoofd, vergeelde tanden komen tevoorschijn wanneer hij me bedankt. 

 

De kassier trekt mijn aandacht: “Vingt euros et dix centimes s’il-vous-plaît”. Prijzen worden nu afgerond in winkels, ze willen geen kleingeld meer. Ik vraag me af wanneer ik voor het laatst een munt van één cent in mijn handen had. Ik heb ook nooit meer contant geld op zak. Iedereen moedigt me aan om mijn bankkaart op mijn telefoon te installeren. Twee klikken op de aan-en-uit knop en je bent een aantal euro’s minder rijk, ik vind het maar een gek idee. Bovendien zou mijn inmiddels ouderwetse iPhone dat niet aankunnen – of misschien is dat een excuus waarmee ik mezelf tracht te overtuigen. Ik pak mijn tas en loop naar buiten. 

 

Een warme zon begroet me terwijl ik langs de rommelige straat loop. Een hele zone is afgezet door straatwerken. Vrijdag was er nog een weg, vandaag is er een gapend gat in het beton. De dingen veranderen zo snel. Drie werkmannen leunen in een afgezette perimeter tegen de muur van een huis. Eentje steekt een sigaret op, een ander maakt wilde gebaren terwijl hij een verhaal vertelt, de derde staat met zijn gesloten ogen naar de zon gericht. Iets nadert mij aan grote snelheid. Een fiets remt abrupt, de eigenares kijkt me aan met boze ogen. Wenkbrauwen drukken zich samen. Ik word bewust van mijn schuld: ik sta niet op het zebrapad, maar ik ben halverwege de straat aan het oversteken. Ik hef een verontschuldigende hand op, gepaard met een ongemakkelijke lach. Ze heeft geen tijd om zich druk te maken en vertrekt weer. Naar haar werk, naar een afspraak, of ze heeft gewoon de snelheid van onze hedendaagse levenswijze zo geïnternaliseerd dat ze zelfs op luie dagen snel wil fietsen.

 

Langs de andere stoep wisselen winkels van verschillende soorten zich af. Grote kratten met groentes staan uitgestald buiten een kleine ‘alleswinkel’. Of hoe heten die kleine winkels met zelfgemaakte schappen, uitgestalde kratten en handgeschreven prijskaartjes? Limoen, paprika, prei, courgette, mango, munt, iets dat lijkt op een banaan. Het lijkt geen verse te zijn, maar eerder een  die al vier dagen in de felle zon ligt. Een bakbanaan, herinner ik me, maar meer tijd kan ik niet besteden aan deze bruine banaan, want het is alweer aan de volgende winkel. 

 

Hopen leren schoenen liggen opgestapeld in een stoffige vitrine. Vervaagde letters op het raam staan eenzaam uit elkaar, de betekenis die ze ooit samen droegen is vervlogen met de tijd. Het raam in de deur is gebarsten. Ik vraag me af of ze zo veel klanten lokken. Ik stap binnen, de deur valt achter me dicht. Een vod geklemd tussen de deur en de deurpost zorgt voor een microscopisch tunneltje aan zuurstof tussen de buitenwereld en deze bedrukkende plek. Kleren van de grond tot het plafond, overal waar je kijkt. Een verkoopster schiet overeind uit haar stoel, gedesoriënteerd, alsof ze zichzelf erop betrapt ingedommeld te zijn. Ik kies een gangpad en wurm mezelf tussen de uitpuilende rekken. 

 

Tussen honderden identieke jeans broeken haal ik er één uit en draai me om naar de spiegel. Ik houd hem tegen mij aan, en zie meteen dat hij te groot is. Dat is wel de stijl tegenwoordig, en normaal houd ik daar ook van. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst een passende broek kocht. Maar dan denk ik aan alle mensen die ik voorbij zal lopen zo meteen, met precies dezelfde broek. Iedereen is toch maar uniek zoals iedereen. Dat lijkt wel het motto dezer dagen: individualiteit benadrukken, maar binnen een sociaal acceptabele perimeter. Opeens word ik overvallen door de overweldigende aanwezigheid van een muffe geur. Ik snak naar frisse buitenlucht. Op weg naar buiten vraagt de verkoopster of ik niks gevonden heb dat me aanstaat. “Non, pas vraiment. Mais merci, et bonne journée.” 

 

Ik sta buiten. De winkels glijden opnieuw voorbij. Een man staat buiten een winkel een sigaret te roken. Ik vraag me af of hij zijn sigaret zal doven en netjes in een vuilbak zal gooien. Waarschijnlijk niet, denk ik, wanneer ik zie hoeveel er al op de grond liggen. Eerst zag ik het niet, omdat ik gewend ben aan de vuile straten van de stad, waar gebruikte kauwgom en sigarettenpeuken deel van het decor worden. Maar nu zie ik het. Er liggen er zo veel en niemand ruimt ze op. We blijven maar produceren, verbruiken, en weggooien. We zijn geen circulaire samenleving, alles heeft een begin en een einde. 

 

Ik steek over, dit keer kijk ik netjes links en rechts – en nog eens links. Een groepje mannen wijkt uit voor me. Het is midden op de dag, in een redelijk drukke straat, maar toch vloeit er een vluchtige angst door me heen. Alsof ik preventief ineenkrimp bij een aankomende opmerking. Maar er komt niks, ik stel me aan, de angst verdwijnt alsof ze er nooit is geweest. Achter me sluiten ze de kring weer. 

 

Daar is de laatste hoek. Tafels en stoelen zijn uitgestald tot op de uiterste rand van de stoep. Ik hoor opgewonden stemmen en joviaal gelach. Obers slalommen behendig tussen de tafels. Een jong kind zit in een buggy. De hand van zijn moeder leunt zachtjes op de zijkant, duwt en trekt de buggy ritmisch heen en weer. Ze is druk in gesprek met een mevrouw met opvallend rode lippen. Het zal een vlek achterlaten op haar wijnglas. In de keuken zal iemand een extra minuut nodig hebben om haar lippenstift weg te schrobben. De baby staart me aan met grote ogen terwijl ik voorbij loop. Ik vraag me af wat er door zijn hoofdje gaat: alles moet vreemd lijken, alles is nieuw. Ik kan het niet weerstaan een gek gezicht te trekken. Ik zie een mondhoek aarzelend omhoog gaan. 

 

Ik begin het gewicht van mijn boodschappentas te voelen, de handvatten snijden in mijn handpalm. Daar is mijn voordeur. Ik vis tussen de verfrommelde winkelrekeningetjes en gebruikte zakdoeken in mijn jaszak naar de sleutel. De deur gaat met een piepend en krakend geluid open, het is inmiddels een gerustellend geluid geworden, het geluid van thuiskomen. Ik trap de deur achter me dicht. Met een klap sluit ik alle zonlicht, alle geluid, en alle leven van de stad af. Rust. Ik kijk uit naar mijn vier witte kamermuren, mijn eilandje van kalmte in een zee van stad. 

0 Comment