Voorbij de haat: een interview met Montasser Alde’emeh

© Alde’emeh, Jef Boes
Montasser Alde’emeh is een doctorandus uit Molenbeek die wil voorkomen dat jongeren afreizen naar Syrië. In zijn centrum ‘De Weg Naar’ begeleidt hij jongens en meisjes samen met een aantal vrijwilligers waaronder ook moeders die dit verdriet persoonlijk ondervonden hebben.

Alde’emeh is, als Palestijnse vluchteling, geboren in een vluchtelingenkamp in Jordanië en is samen met zijn ouders als kind naar België gekomen. Hij kende een bewogen jeugd en worstelde destijds met radicale ideeën, zo zegt hij zelf. Nu is hij islamoloog en doet onderzoek naar moslimradicalisering en de internationale jihad. Onlangs verscheen zijn boek in samenwerking met Pieter Stockman: ‘De Jihadkaravaan’. Een boek dat gaat over de reis naar de wortels van haat.

Alde’emeh: “Ik heb dit boek geschreven omdat ik jongeren uit de handen van Islamitische Staat (IS) wil houden. IS vraagt die jonge mensen om mee te strijden en ik probeer hen tegen te houden. Daardoor is ook mijn leven in gevaar, maar ik ben bereid mijn leven te geven voor mijn idealen. Op dat vlak ben ik niet minder radicaal dan vroeger.”

“De jihad is niet te vinden in het Midden-Oosten en ook niet in Brussel maar in jezelf. Het feit dat jongeren van de tweede en derde generatie zich niet betrokken voelen bij de samenleving waarin ze leven en vervolgens radicaliseren, is omdat ze zich te veel focussen op het onrecht. Wellicht is er onrecht, maar als ik eerlijk ben, in België zijn er wel veel kansen. In mijn land hebben jongeren bijvoorbeeld veel minder mogelijkheden. Overal zijn er kansen, maar je moet ze grijpen. Het is belangrijk dat jongeren mentaal sterker worden en daarom moet je ze begeleiden. Die begeleiding moet niet per se vanuit de overheid komen. Mensen kunnen vanuit zichzelf proberen anderen te begeleiden zonder subsidies of dergelijke. Ik heb me voorgenomen niet langer kritiek te geven op de overheid. Die moet wel haar verantwoordelijkheid opnemen, maar iedereen moet de waarheid in zichzelf zoeken en vooral zelf initiatief nemen. Ik heb lang gevraagd naar meer imams die Nederlands of Frans spreken en naar meer ondersteuning van de overheid, maar er is tot nu toe zeer weinig gebeurd. Ik heb besloten om me daar niet langer druk over te maken en meer energie te steken in de dingen die ik wel kan veranderen”, vertelt Alde’emeh.

Op de vraag of het niet logisch is dat de jongeren erkenning zoeken in onze maatschappij antwoordt Alde’emeh: “Ik zocht vroeger ook erkenning, maar in principe moeten wij geen erkenning zoeken. Er zijn in België altijd mensen die denken in termen van wij/zij en het verschil benadrukken tussen autochtoon en allochtoon. Moet ik mijn hele leven wachten totdat zij hun mening veranderen en mij erkennen?”

“Ik verdraag ook het woord ‘tolerantie’ niet. Niemand moet mij tolereren, dat hoeft niet. Ik houd mij gewoon aan de regels: als ik verkeerd parkeer krijg ik een boete, zoals iedereen. In de kerstperiode postte ik op facebook: ‘Ik wens iedereen fijne feestdagen en een gelukkig nieuwjaar’. Sommige moslims gaven toen het commentaar dat dit niet de feestdagen van moslims zijn en dat ik dit niet moet doen. Ik krijg kritiek uit alle hoeken; van niet-moslims en moslims. Mijn standpunt is daarom: ‘mijn haters hebben de eer niet om mijn vijand te zijn, want ik heb geen vijanden’. Mijn revolutie is: ‘geef je vijand meer liefde dan de liefde die je zelf krijgt.’ Een revolutie mag volgens mij geen doel hebben in de zin dat je hierdoor finaal je vijanden overwint. Nee, ik wil dat andere mensen, vrienden en vijanden, hetzelfde gevoel kunnen ervaren als ik. Ik luister bijvoorbeeld naar Hebreeuwse muziek en als sommigen dit horen, maken ze daar opmerkingen over. Ik zeg dan dat ik verlost ben van deze complexen en ook kan luisteren naar andere muziek omdat ik geen vijanden heb. Dit gevoel van verlossing wil ik doorgeven aan anderen. In plaats van de haat die generaties lang wordt overgedragen.”

In het verleden heeft Alde’emeh ook geworsteld met ‘haat’, wat een centraal thema is in zijn boek. “Ik heb me weten te bevrijden van dergelijke gevoelens. Op een bepaald moment voelde ik meer empathie omdat ik mij probeerde in te leven in andere mensen. Ik probeerde te begrijpen dat ik in andere omstandigheden misschien mijn eigen vijand zou zijn. Door het feit dat ik meer inlevingsvermogen kon opbrengen, kon ik ook afstand nemen van de vastgeroeste eigen denkbeelden die ik vroeger had. Het was een geleidelijk proces: stap voor stap. Zo heb ik bijvoorbeeld een Joodse professor leren kennen, heb ik met mensen gesproken, reizen ondernomen en veel gelezen. De haat was niet opeens afwezig, maar verminderde. Ik ben geen profeet en ik heb ook niet meegemaakt dat er een engel tegen mij is komen zeggen: ‘Montasser, neem nu afstand van de haat’. Als ik nu beelden zie van kinderen die sterven in Gaza komt die haat soms sterker naar boven. Het was eigenlijk een lijdensweg die officieel zijn einde kende in de zomer van 2014 toen ik een olijfboom plantte in het land van mijn ouders. Op de plaats waar mijn ouders en voorouders ooit hebben geleefd.”

Alde’emeh sluit af met een boodschap voor studenten: “Studeer goed, vergaar kennis, lees veel en behaal uw diploma om met opgeheven hoofd de universiteit te verlaten en met een positieve noot aan de toekomst te beginnen. Daarnaast moet je als student ook durven. Durven om je maatschappelijk in te zetten en je te engageren om andere mensen te helpen, los van de opleiding die je hebt genoten. Als we niet samenwerken, komen er problemen. We hebben elkaar allemaal nodig.”

Door: Ernesto Rodriguez
0 Comment