De waarheid uit een kindermond: Een zoektocht naar de filosofen van morgen

© De Moeial, Sarah Hamdi
De Griekse filosoof Socrates verdedigde zich ooit voor de rechtbank door te zeggen dat hij wist dat hij niets wist Voor en na hem zijn nog vele filosofen gekomen die ons denken fundamenteel in vraag stelden en het soms ingrijpend veranderden. Het woord filosoof roept buiten het beeld van peinzende oude mannen met lange, grijze baarden dan ook hoogstwaarschijnlijk vooral de namen op van enkele groten der aarde. De Moeial trok weg van de begane paden, en ging op zoek naar Belgiës kleine Platootjes en hun leermeesters.

In 2011 schreven de vakgroepen filosofie van alle universiteiten samen met het Vlaams netwerk voor Eigentijds Filosofieonderwijs (VEFO) een pleidooi voor een schoolvak filosofie in de derde graad van het secundair onderwijs. Een bescheiden vraag, want in andere Europese landen is dat al een gangbare praktijk. Toch zijn er in Vlaanderen al scholen die hun leerlingen filosofie aanbieden. Hier en daar begint zelfs een basisschool de filosofische zoektocht.

“Ooit had ik een gesprek over de vraag of dieren kunnen dansen. Daar had ik zelf nog nooit over nagedacht.”

Socrates voor kinderen

Kristof Van Rossem is filosoof en doceert het vak aan jong en oud. Aan de KU Leuven is hij lector van het vak Filosoferen met kinderen en adolescenten. Studenten van de opleiding Wijsbegeerte, maar ook leerkrachten in opleiding leren bij hem de kneepjes van het vak. Zelfs leraren die al voor de klas staan volgen bij hem nascholing. Al veertien jaar is hij bezig met praktische filosofie en lesgeven.

Van Rossem hanteert de Socratische gespreksmethode als hij met kinderen filosofeert. Kinderen bedenken vanuit hun eigen ontdekkingszin de vraagstukken die ze vervolgens proberen te beantwoorden. “We kiezen de vraag meestal naar aanleiding van een spel, een verhaal of een andere prikkel. De vragen kunnen over van alles gaan, maar het mogen geen oplossingsgerichte vragen zijn. Vragen als Hoeveel insecten zijn er? of Waar ligt België? behandelen we niet. Ze moeten de vraag louter door te denken kunnen oplossen.”

Dansende dieren

“Ooit had ik een gesprek met een groep over de vraag of dieren kunnen dansen. Daar had ik zelf nog nooit over nagedacht. Iemand uit de klas vond van wel; thuis hadden ze immers een papegaai die ritmische bewegingen maakte als er muziek speelde. Zo proberen we dan het begrip dansen te definiëren als ritmisch bewegen op muziek. Daar ging jongetje uit de groep echter niet mee akkoord: soldaten doen dat immers als ze marcheren, en toch is dat geen dansen. Uiteindelijk belandden we dan ook nog bij de vraag of dansen spontaan is of juist is aangeleerd en of dieren dan wel weten dat ze dansen. De filosofie brengt hen eigenlijk middenin allerlei moeilijkheden. De meesten hebben het gevoel dat ze weten wat dansen is, maar tijdens zo’n gesprek raken ze weleens in de war. Juist dan moet je doorgaan. Dat is filosofie: alsmaar verdergaan in de complexiteit.”

Van Rossem filosofeert bepaald niet altijd over lichtzinnige thema’s. Ook de dood en wat er daarna gebeurt, bespreekt hij met zijn jonge gezelschappen. “Waar ben je na de dood? Opnieuw een vraag die ze zelf hadden gekozen. Daarna volgde er een gesprek van twintig minuten waarin iedereen zijn eigen opvatting geeft. Ik vind het belangrijk dat iedereen aan het woord komt, ook kinderen die niet zo goed ter taal of verlegen zijn. Ze moeten hun mening ook kunnen beargumenteren. Ik vraag ook door over hun opvattingen.”

De kinderen, allemaal een jaar of tien, tonen zich indrukwekkende denkers. Ook als het over de dood gaat. “Een leerling zei: ‘Na de dood, dan blijft er niets meer van je over. Je bent gewoon een lichaam.’ Daarop zei een ander: ‘Als je gecremeerd wordt, dan is je lichaam daar toch niet. Alleen de assen blijven over.’ Een meisje wees op de symbolische waarde van as. ‘Het doet je wel denken aan je grootmoeder’, vond ze. Maar zit je dan nog in dat hoopje as? Een meisje dacht van wel: ‘Er zit toch nog DNA in die as.’ Ik weet niet of dat zo is, maar dan nog kun je vragen of je dan niet méér bent dan alleen je DNA. Een meisje van een jaar of acht zei: `Na de dood zal mijn lichaam verdwijnen, maar mijn ziel slash geest blijft wel bestaan.´ Toen zijn we beginnen nadenken over die slash. Heb je nu een geest of een ziel? Wat is het verschil dan tussen de twee. Dat meisje had er ontzettend veel plezier in om dat probleem uit te zoeken.”

Gaan kinderen dan niet met een hoofd vol zorgen naar huis? “De meeste kinderen vinden het heel leuk. Ook omdat het iets nieuws is, natuurlijk; het is eens wat anders. Er zijn er die er helemaal in opleven. Soms vertellen ze dat hun ouders of vriendjes ook altijd zeggen dat ze zoveel doordenken. Dat zijn de echte filosofische geesten.”

Het einde van ‘omdat ik het zeg’

Leraren moeten soms wat wennen aan die filosofische methode. In het geval van Van Rossem zijn het meestal de leerkrachten die hem benaderen. Zij willen dus uit eigen beweging meer leren. De Russische Victoria Chernenko geeft lessen praktische filosofie en probeert sinds kort ook het filosoferen met kinderen op de kaart te zetten in Moskou. Daar stuit ze echter op heel wat meer weerstand. “Ik filosofeer nu zo’n drieënhalf jaar met kinderen, maar ook met organisaties, bedrijven, leraren en studenten. De methode is voor mensen van drie tot negentig jaar hetzelfde, alleen de inhoud is anders.”

Leerkrachten zijn echter niet altijd even enthousiast. Chernenko: “Als een kind een fout maakt, moet de onderwijzer zijn instelling eigenlijk aanpassen. In plaats van een fout te beschouwen als iets negatiefs, zouden ze fouten leuk moeten vinden. Hij kan de klas bij het probleem betrekken en als groep de oplossing vinden. Kinderen zoeken vaak naar erkenning, ze willen goedkeuring, maar leraren doen dat ook. Ze kunnen er niet altijd goed tegen dat we hen bekritiseren of hun aanpak problematiseren.”

 “De filosoof ondervraagt een kind over wat hij denkt. Dat hoeft geen probleem te zijn waar het mee zit, maar het kan ook gewoon gaan over wat een kind op school heeft gedaan. Het gaat over het bewust worden van het eigen denken en gaandeweg misschien nog het oplossen van een probleem ook. Het grote doel is uiteindelijk mensen bewust te maken van hun eigen denkpatronen, want dat zijn we grappig genoeg zelden.”

Hoera, een fout

Is het onderwijs dan te veel gericht op het geven van juiste antwoorden? “In Rusland is het alvast moeilijk om iets te veranderen aan het systeem van lesgeven”, vindt Chernenko. “Over de situatie in België kan ik niet spreken, maar ik vermoed wel dat het een probleem is over de hele wereld. Er is natuurlijk het tijdsargument: vragen stellen is natuurlijk een aanpak die tijd kost. Als je vragen blijft stellen wordt het antwoord onvoorspelbaar. Sommige leraren worden onzeker om van vertellen naar vragen over te gaan.”

Het systeem tot in de kern veranderen is dan ook geen doelstelling van Chernenko: “Dat zou te optimistisch zijn, maar elementen ervan kunnen breed toegepast worden. Alleen al de waarom-vraag wat vaker stellen maakt een groot verschil.”

Zo gaf Chernenko eens een les die leraren heftig bekritiseerden. De kinderen filosofeerden onder haar begeleiding over een wel heel bijzondere vraag: ben je verplicht om van je ouders te houden? En als dat zo is, waarom is dat dan het geval? “Sommige kinderen vonden dat je niet van je ouders hoeft te houden. De aanwezige onderwijzers schrokken daarvan. Zij meenden dat er een morele lijn is die kinderen moeten leren en waar je niet over mag gaan. De kinderen vonden het daarentegen prachtig. Het idee dat je openlijk kan zeggen dat houden van je ouders niet verplicht is, is voor de meesten erg spannend.”

In Vlaanderen is de situatie lichtjes anders. “De overheid heeft al verklaard voorstander te zijn van filosofie in het basis- en secundair onderwijs”, begint Van Rossem. “De vrije scholen beweren echter wel eens dat zij in hun godsdienstlessen al aan filosofie doen. Toch is er een groot verschil. Filosofie is geen levensbeschouwing maar een aparte discipline. Logica, wetenschapsfilosofie, hermeneutiek … Je vindt ze niet of zelden in een les godsdienst.”

“We leven in een tijd waarin we zeggen: iets is zo omdat ik dat zo voel. Dat is een individualistische manier van argumenteren.”

Leuk en leerzaam?

Inge Duytschaever, een filosofe die werkt in een aantal Brusselse scholen, hanteert deels dezelfde aanpak als Van Rossem. Ook zij maakt gebruik van de methode van Matthew Lipman . “Ik vul Matthew Lipman aan met de zogenaamde COPI-methode, dat staat voor Community of Philosophical Inquiry en ontwikkeld is door Catherine McCall. Mijn manier zal vaker een iets creatievere insteek hebben. Met Socrates keer je telkens terug naar de vraag, waardoor je een soort verengende beweging maakt. Als ik de COPI-methode gebruik vertrek ik van de vraag, maar daarna wordt die eigenlijk vergeten en moeten ze ingaan op elkaar. Daardoor kan het gesprek over verschillende dingen door elkaar gaan. Ik pas mijn methode aan de groep aan.”

De kinderen mogen de filosofieles dan wel leuk vinden, toch vraagt het onderwijs ook dat leerlingen iets bijleren. Welke vaardigheden houden de spruiten eraan over? Alle drie de filosofen lijken het erover eens: tijdens de uurtjes filosofie hoeven de leerlingen zich geen zorgen te maken over goede of foute antwoorden. Voor kinderen is dat heel wat minder stresserend. Denk maar aan al die scholieren die hun hand toch maar niet opsteken uit vrees voor een fout antwoord. Door die drempel weg te nemen, kunnen kinderen vrijer spreken. “Bovendien leren ze naar elkaar te luisteren en zich te concentreren op redeneringen van de ander”, vindt Duytschaever.

Dat blijkt wel uit een les van Duytschaever. Het thema ‘twijfel’ introduceert ze met een verhaaltje over een eeuwige twijfelaar. De leerlingen verzinnen vervolgens algemenere vragen, gebaseerd op het verhaal. Na een stemming over de vragen die ze willen behandelen, kan het filosoferen beginnen. Ze ontdekken dat er grote eensgezindheid bestaat over de onbetwistbaarheid van de wiskunde: één plus één is altijd twee, daar kun je niet aan twijfelen. De betekenis van begrippen zoals nadenken en twijfelen leidt tot een bevlogen discussie waar veel volwassenen nog iets van kunnen leren. Een paar jongens en meisjes voelen zich als een vis in het water. Op het einde verklaren ze zich dan ook unaniem tevreden over het filosofisch half uurtje.

“Filosofie toepassen in andere vakken kan motiverend zijn voor leerlingen”, aldus Van Rossem. “Zelfs bij vakken als wiskunde kan het een verrijking zijn. Je kunt bijvoorbeeld filosoferen over het cijfer ‘nul’. Op zich is het een vrij problematisch gegeven dat we een eenheid hebben om niets aan te duiden. Een andere leuke oefening begint met een kronkelende lijn op het bord. Ik vraag vervolgens aan iedere leerling om een cijfer neer te kalken op een willekeurige plek. En dan wacht je. Meestal is er vanzelf wel iemand die opmerkt dat de cijfers in een andere volgorde moeten staan. Bij mij was er een slimmerik bij die pi had neergeschreven, maar die moest dan na de twee komen en voor de vijf. Die zoektocht naar orde is eigenlijk het begin van de wiskunde. Die orde in vraag stellen is fascinerend.”

Argumentatie als democratisch project

“Natuurlijk is het geen wondermiddel”, zegt Duytschaever. “Er zijn veel hoopvolle clichés over het effect van filosoferen met kinderen, maar er gebeuren geen mirakels. Hoewel ik wel eens iets heb meegemaakt dat me erg heeft geraakt. Ik had net met een klas gewerkt die ik nog niet kende en er zat een meisje bij dat heel veel interessante redeneringen maakte en reageerde op de anderen. Achteraf vertelde een leerkracht mij dat ze van plan waren geweest om het meisje de komende week naar het bijzonder onderwijs te sturen. Na die les gingen ze zich daar nog eens opnieuw over bedenken.”

Duytschaever vindt bovendien dat filosofie deel uitmaakt van een groter, democratisch project: “We leven in een tijd waarin we zeggen: iets is zo omdat ik dat zo voel. Dat is een individualistische manier van argumenteren. In een democratie, en eigenlijk in elke samenleving, zoek je juist naar gemeenschappelijkheden. Argumentatie is belangrijk omdat je zo naar iets gemeenschappelijks toe werkt. Een gevoel hoef je niet uit te leggen, het is gewoon iets dat in je zit. Door filosofie leer je dat je je kunt vergissen of van gedachten kunt veranderen. Je leert dat gedachten niet alleen van jezelf zijn maar gedeeld kunnen worden door anderen. Gedachten kun je delen, gevoelens daarentegen kun je alleen maar uiten.”

0 Comment