“De student is mondiger als klant, maar hij is minder assertief als vrijdenker”

Vladimir Nabokov zei het al: de petite histoire, dat is de grande histoire. Aan het oeuvre van professoren emeriti Catharina Lis en Hugo Soly te zien, zouden zij het misschien wel eens zijn met de uitspraak van de Russisch-Amerikaanse auteur. Het koppel historici wijdde hun leven aan de geschiedschrijving, hun studenten en, niet te vergeten, aan elkaar. Het onderzoek dat zij verrichtten omtrent armoede, sociale politiek en industrialisering, maar bovenal omtrent de kleine man, drukte een onuitwisbare stempel op de geschiedschrijving over de Lage Landen. Vandaag zijn zij verdwenen uit het oog van de student, maar niet uit hun hart, want hun nalatenschap leeft verder.

De twee kolossen van de Belgische geschiedschrijving wuifden respectievelijk twee en drie jaar geleden hun studenten vaarwel, maar herinneren zich nog levendig waarom zij zelf in het begin van de jaren ’70 de aula betraden om zich te laten onderdompelen in de wereld van Bloch en Braudel. De professoren die hen het meest prikkelden tijdens hun opleiding waren nochtans geen historici in de strikte betekenis van het woord. Catharina Lis: “Een goede opleiding is een opleiding waarbij prikkels van verschillende kanten kunnen komen. Veel professoren waren inspirerender dan je op het eerste zicht zou verwachten in relatie tot de vakken die ze doceerden. Bij de filosofie of psychologie, vakken die je misschien niet zozeer zouden interesseren als geschiedenisstudente, vond je zo zeer inspirerende mensen. Zij durfden een beetje buiten de lijntjes te kleuren, wat nu veel minder vaak gebeurt, maar de opleiding wel ook des te interessanter maakt. Je moet nu veel braver zijn als hoogleraar.”

Ook Hugo Soly pleit tegen hyperspecialisatie binnen de opleiding. Zelf vervolledigde hij zijn licentiaat geschiedenis aan de toenmalige Rijksuniversiteit Gent, maar dat had anders kunnen lopen. “Ik ben geschiedenis gaan studeren uit overtuiging, maar ik had evengoed filosofie of moraalwetenschappen kunnen gaan studeren. Net zoals Rina zegt, zijn de mensen die je vanuit verschillende richtingen kunnen prikkelen zeer belangrijk. Goede voorbeelden hiervan zijn Etienne Scholliers en Jan Craeybeckx. In de periode waar wij het over hebben, moest je gemiddeld vijftien cursussen volgen in het eerste en het tweede jaar. Van die dertig cursussen waren er echter veel niet van historische aard. Je kreeg dan mensen uit verschillende richtingen voor je die over geschiedenis kwamen vertellen.”

De twee zijn notoir bepleiters van de interdisciplinariteit, zowel buiten als binnen de opleiding. Ook binnen de vakgroep mogen, moeten de meningen al eens botsen, vindt Hugo Soly. “Met mijn promotor, Wilfried Brulez, die een soort postmodernist van de letteren was, was ik het eigenlijk nooit eens. We waren heel verschillend van karakter en van visie op mens en maatschappij, maar juist daarom was hij een buitengewoon fascinerende gesprekspartner; iemand met wie je geweldige discussies kon hebben, iemand die vooral geloofde in het toeval in de geschiedenis. Hoewel ik daarentegen de rol van het toeval zeker niet ontken, ben ik niet geneigd om het zwaartepunt daar te leggen, helemaal niet zelfs. Dat zorgde voor botsingen, maar steeds op een aangename en sympathieke manier. Het zijn de professoren met wie je echt kan discussiëren die in hoge mate de opleiding maken, en die vind je ook buiten de geschiedenisopleiding. Mijn studententijd is al lang voorbij, maar ik weet nog heel goed dat je na elke les bijna naar de bibliotheek zou stormen om die boeken te gaan halen. Dat heb ik te danken aan mijn professoren.”

Hugo Soly

Historische kritiek
Zowel Lis als Soly kregen de titel van doctor in de geschiedenis toebedeeld in de tweede helft van de jaren ’70, een periode waarin de aandacht voor sociaal-economische aspecten van geschiedenis piekte, met als gids de Annales d’histoire économique et sociale, een tijdschrift opgericht in 1929 door Marc Bloch en Lucien Febvre. Het onderzoek dat Lis en Soly – vaak samen – voerden situeerde zich eveneens binnen het sociaal-economische spectrum, maar de auteurs zetten zich af tegen de rigide opvolging van internationale historiografische stromingen. Catharina Lis pleit voor een eclectische aanpak. “We plukken in laatste instantie allemaal de vruchten van voorgaande generaties, zoals met Henri Pirenne. Pirenne is nog altijd hot, in die zin dat mensen nog altijd hun voordelen doen uit de vele debatten die hij heeft aangezwengeld. Hetzelfde geldt voor Braudel. Braudel is al lang – laat ons zeggen – verdwenen als de topman van de Franse Annalesschool. Toch plukken wij nog altijd de vruchten van Braudel.”

De geschiedschrijving moet bovenal gevoed worden door reacties en dialoog. Dat vindt ook Hugo Soly. Hij weet dat hij en Lis bij het primaat blijven van een zeer ruim opgevatte sociaal-economische geschiedenis, maar onderstreept de noodzaak die er in de jaren ’70 was om de cultuur-ideologische aspecten veel meer op de voorgrond te plaatsen. Die ontwikkeling kwam er met de Linguistic Turn. “Alleen zijn er, zonder in detail te treden, naar mijn mening excessen gekomen in heel die post-modernistische Linguistic Turn. Welke positie je ook inneemt in de geschiedenis, het heeft altijd implicaties voor de maatschappij waarin je leeft. Zoals je erdoor wordt beïnvloed, is er ook altijd feedback naar die maatschappij door de manier waarop je ten opzichte van je medemensen staat. Het terug opkomend nationalisme binnen Europa en binnen eigen land is een van de problemen die in hoge mate verwaarloosd zijn in de jaren ’60 en ’70. Rina haalde Braudel aan, en ik hoor hem nog zo zeggen: ‘La politique, ça ne m’intéresse pas.’ Dat kan niet, en dat vonden wij toen ook al.”

Vandaag bevindt de historiografie zich op een kruispunt. De invloed van de Annalesschool is drastisch gereduceerd en ook de post-modernistische beweging heeft haar hoogdagen achter zich liggen. Maar Hugo Soly en Catharina Lis zijn geen pessimistische historici. De geschiedschrijving heeft namelijk een rijke traditie om op terug te vallen. Soly: “Ik denk dat er sedert enkele jaren toch wel een tegenbeweging is gekomen. Peter Burke heeft het een aantal jaar geleden eens ‘the revenge of social history’ genoemd. Dat is misschien wat sterk uitgedrukt, want het gaat niet om een soort wraak, maar wel om een toenemend besef bij een aantal goede historici dat het niet alleen om culturele en mentale processen gaat, en dat je ook een materiële basis niet kunt wegcijferen. Er moet, denk ik, een nieuwe soort sociale geschiedenis ontwikkeld worden. Dat is de uitdaging voor de huidige generatie. Zij moeten zien op welke manier er een nieuwe soort synergie tot stand gebracht kan worden.” Eclecticisme is primordiaal, vindt ook Catharina Lis. “Als het goed is, neemt men de goede dingen van de vorige generaties over, maar zo simpel is het natuurlijk niet. (lacht) Theoretische reflectie is eigenlijk een absolute must, zeker bij historici. Het is hun kern.”

Facultaire evolutie
Samen met voormalig rector en historica Els Witte wordt professor Lis genoemd als een van de bezielers van de opleiding Communicatiewetenschappen aan de VUB. Mede dankzij die kruisbestuiving tussen verschillende disciplines geniet de opleiding vandaag nog veel prestige in binnen- en buitenland.

Verleden zomer stapte de vakgroep uit de faculteit Letteren en Wijsbegeerte om zich bij de faculteit Economische, Sociale en Politieke Wetenschappen te voegen. Is dat een goede zaak? “De manier waarop de Communicatiewetenschappen functioneren en het soort onderzoek dat langzamerhand gegroeid is binnen de vakgroep, zorgen ervoor dat ze vrij los zijn komen te staan van alles wat binnen de Letteren en Wijsbegeerte gebeurt. Er is geen enkele disciplinaire noodzaak opdat een opleiding Communicatiewetenschappen binnen een letteren- faculteit zou zitten. In geen enkele andere Belgische universiteit hangen die samen met de Letteren en Wijsbegeerte. De geschiedenis zou als maatschappijwetenschap met evenveel recht naar de sociaal-economische wetenschappen kunnen gaan. Ik heb acht, negen jaar in Rotterdam gedoceerd en daar was geschiedenis een onderdeel van de maatschappijwetenschappen.”

“Of de verhuis van de SCOM een goede zaak is, hangt af van je positie”, gaat Lis verder. “Beschouw je dat vanuit de letterenfaculteit, dan is het een groot verlies. Dat gaat hen veel kosten, want het is een grote richting. Wanneer er een grote pion van het schaakbord wegvalt, dan moet dat schaakbord herzien worden. Is dat een goede zaak voor de communicatiewetenschappen? Ze hebben dat blijkbaar zo gewenst en er diep over nagedacht of ze niet beter optimaal kunnen functioneren met andere verbindingen. Bovendien hebben zij intellectueel ook een heleboel andere verbindingen gemaakt die dichter liggen bij de sociale wetenschappen. Alles evolueert, niets blijft hetzelfde.”

“Theoretische reflectie is eigenlijk een absolute must, zeker bij historici. Het is hun kern.”

Ratrace
Enkele maanden geleden lanceerde de Actiegroep Hoger Onderwijs een petitie tegen de hoge publicatiedruk voor wetenschappers. Na vier dagen hadden meer dan 4500 onderzoekers de petitie al getekend. Ook Catharina Lis en Hugo Soly behoorden tot die groep. Professor Soly geeft aan dat de druk voor jonge docenten ondraaglijk is en de gevaren legio zijn. “Op wetenschappelijk vlak is het grootste gevaar dat geplaveide wegen bewandeld blijven worden. Het risico dat je neemt als jonge, promoverende docent om niet te voldoen aan de eisen binnen je evualatieperiode, is zeer groot als je van dat bewandelde pad durft af te wijken. Als je iets nieuws probeert te doen, kan je er niet op rekenen dat je binnen één of twee jaar een leuk artikel zal kunnen publiceren. De tendens om eigenlijk te blijven herkauwen is dus zeer groot. Voor jonge academici is de druk enorm. Dan kan je je afvragen of je nog wel op een goede manier bezig bent. Ik denk het niet, neen.”

Professor Lis noemt het een ratrace. “Het is al lang niet meer enkel een kwestie van iets graag te doen. Het is een kwestie van opportuniteiten die je aangereikt worden, en die zijn niet dik gezaaid. Goede studenten die verder willen gaan in de academische wereld kunnen dat wel duidelijk maken, maar de vraag is of zij ook in België nog altijd de mogelijkheid krijgen om dat te realiseren. De beurzen en de middelen om als assistente aan de slag te gaan – zo ben ik nog begonnen – zijn schaars. Wij waren met heel weinig, dus voor ons was het iets gemakkelijker om die droom waar te maken. Voor veel goede studenten is dat niet zo evident meer.”

Een ander mogelijk risico van de hoge publicatidruk, is dat professoren de tijd die zij in onderwijs steken als verloren gaan beschouwen. Maar ook hier zal u het koppel niet op cynisme kunnen betrappen. Lis: “Wat echt nefast zou zijn, is dat men een strikt onderscheid zou maken tussen de onderzoekers enerzijds en de docenten anderzijds. Het goed lesgeven betekent ook dat je gevoed wordt door dat onderzoek. Je moet kunnen aftoetsen. Mensen voorbereiden op een leven van onderzoeken, dat is de dood in de pot. Je moet met studenten in dialoog kunnen gaan.” Dat vindt ook Soly, en volgens hem lenen de eerstejaars zich daar het beste voor. “De eerstejaars zijn het minst gesocialiseerd aan de universiteit. Zij zijn vaak pril, fris en bereid om onverwachte vragen te stellen. Ze zijn nieuwsgieriger en alles is nieuw voor hen. Ze proberen zelf nog alles te ontdekken en ze worden nog niet in een soort van vorm geduwd. In zekere zin moet dat wel gebeuren, maar dat gaat me allemaal te schools.”

Student-klanten
Beide professoren stralen autoriteit uit. Wie zich pakweg de lessen Historische kritiek van professor Lis herinnert, zal nu knikken. Toch had zij niets liever dan spraakzame studenten. “Studenten zijn geweldig braaf geworden. Ze zijn veel klantgerichter gaan handelen.” Professor Soly beaamt het. “De student is mondiger als klant, maar hij is minder assertief als vrije denker. Ze komen op voor hun rechten wanneer ze individueel tekortgedaan worden. Zo gaan ze bijvoorbeeld gemakkelijker klagen over cijfers. Daar heb ik niets op tegen, maar dat is niet de kern van het student-zijn. Studenten moeten ook hun stem laten horen op andere terreinen die wel fundamenteel zijn, voor hen persoonlijk én voor een bredere groep. Daar heb ik heel weinig van gemerkt in de loop van de voorbije twintig jaar. Ik heb veel goede studenten gezien, maar dàt, neen. Dat heb ik gemist.”

De oorzaak voor de passiviteit bij studenten vindt hij deels in de onderwijshervorming. “Kijk, het academiejaar is opgedeeld in semesters. Nu heb je twee zittijden en een herkansing. Er zijn ook minder cursussen, maar veel van die cursussen vragen wel meer van de student dan ooit tevoren. Als ik de oefeningen van nu vergelijk met die van veertig jaar geleden, zijn ze veel zwaarder geworden. In één zin uitgedrukt: studenten zijn heel het jaar bezig en moeten veel meer presteren. Daarbij moeten veel studenten ook nog eens gaan werken. Tel die factoren bij elkaar op, en dan denk ik inderdaad dat je een begrijpelijke reactie krijgt: ‘Potverdomme, ik moet zien dat ik het er in eerste zit goed van afbreng.’ Het docentenkorps biedt niet al te veel tegenwicht. Als dat al gebeurt, gaat het om eilandjes. Dat komt niet door een machiavellistische aanpak, maar door allerlei maatregelen die op verschillende manieren convergeren naar een bepaalde denkwijze: als het mij raakt als individu, als klant, dan ga ik wel vechten. Terecht ook, maar het geeft geen ruimte.”

“Mensen voorbereiden op een leven van onderzoeken, dat is de dood in de pot.”

Universitaire druk
Laat dat nu zijn wat de universiteit dezer dagen ontbeert. Volgens de professoren moet een universiteit een dak bieden voor dialectiek. Lis: “Een universiteit staat net voor tegensprekelijkheid, voor het voortdurend in vraag kunnen stellen wat anderen hebben gezegd en wat je ook zelf hebt gezegd.”

Hugo Soly ziet dat voor een stuk gebeuren, maar vreest dat de Belgische universiteiten het Nederlandse model zullen volgen, waar de universiteit enorm ondernemend is geworden en er steeds meer vanuit een commercieel oogpunt gehandeld wordt. “Het moet opbrengen”, verklaart Lis. “De universiteit moet zich gedeeltelijk kunnen terugtrekken uit de wereld om beter naar de wereld te kunnen kijken. Dat gebeurt door afstand te nemen. Als je natuurlijk financieringsbronnen begint aan te boren die veel te dirigistisch zijn, ja, dan kom je natuurlijk heel ver van die tegensprekelijkheid en van die vrije intellectuele ruimte.”

Hoewel het in België minder ver gevorderd is dan in Nederland, ruikt Hugo Soly toch onraad als hij de evolutie bekijkt die de universiteit heeft ondergaan. “Als je studenten als klanten of als af te leveren producten gaat bekijken, dan is er naar onze mening iets fundamenteel fout. Dat is niet waar de universiteit om zou moeten gaan. Het moet een vrijplaats blijven van kritische geesten. Als dat niet meer kan, of als dat wordt ingeperkt doordat men allerlei concrete maatregelen neemt, het systeem steeds schoolser wordt en zich meer richt op resultaten, dan denk ik dat men een heel nefaste weg zou opgaan. Gelukkig zijn er wel een aantal mensen die daartegen proberen te reageren.”

De universiteit staat als instituut onder druk en met hen de studenten en docenten, maar ook de rectoren ontsnappen er niet aan. “Het is een gigantisch zware opdracht voor de rectoren om te weten hoe zij zich moeten positioneren binnen deze globale context die zij natuurlijk niet zelf gekozen hebben. Het is moeilijk om een evenwicht te vinden,” beseft Soly. “Maar ik voeg er ook een persoonlijke noot aan toe: men moet geweldig oppassen. Ik heb geen fundamenteel bezwaar tegen bijvoorbeeld publiek-private samenwerkingen; die kunnen de wetenschap geweldig stimuleren. De vraag is echter altijd welk gewicht dat globaal gezien krijgt binnen een instelling. Ten tweede, worden er voldoende garanties ingebouwd? In hoeverre kan een universiteit, ook als resultaten niet goed zouden passen in het kader, daarover beschikken? Kan ze die resultaten naar buiten brengen?” Lis voegt eraan toe: “En wie commercialiseert de resultaten? Je moet geen verlengstuk worden van een industrie die haar wetenschappelijk onderzoek transplanteert naar een universiteit. Er zijn veel modaliteiten. Die publiek-private samenwerking is een koepel waar veel onder kan vallen. Soms ten kwade, soms ten goede – indien men het heel goed in de gaten houdt.”

Nieuwsgierigheid
Bij de vraag of een professor ooit echt op pensioen gaat, lacht en schudt het koppel van nee. “Die opdracht was uiteindelijk dubbel”, vindt Catharina Lis. “Het was onderwijs en onderzoek. Eén stukje valt weg, maar dat onderzoek niet. Dat kan ook niet wegvallen. Je hebt daar je leven aan verpand en die boeken en tijdschriften blijven binnenkomen. We geven met plezier onze mening en kritiek op de nieuwe stukken, dus dat blijft. Studenten zijn er niet meer, dat is waar.” (lacht) Soly verzucht dat hij dat natuurlijk wel mist, Lis voegt er fijntjes aan toe: “Maar wel met mate!” “Jongvolwassenen reiken andere dingen aan”, verklaart Soly. “Als je jezelf in vraag wil stellen moet je maar voor honderd achtienjarigen gaan staan en hen proberen ertoe te brengen om vragen te stellen. Je zal ze altijd krijgen.”

Van hun studententijd tot vandaag is het koppel verliefd gebleven op de geschiedschrijving, en natuurlijk ook op elkaar. Wat de professoren emeriti nog het meeste kenmerkt is hun nieuwsgierigheid en de passie waarmee ze het vak gedurende al die jaren bedreven hebben en nog steeds bedrijven. “Nieuwsgierigheid is wat de meeste historici kenmerkt. Je wil tenslotte weten of het goed afloopt.”

0 Comment