Die sfeer van Rue d’Aerschot

Ik ben verliefd geworden op de Rue d’Aerschot. Zoals men in een gedwongen huwelijk ook van elkaar kan beginnen houden. Gedwongen omdat ik er uit noodzaak terecht kwam. Wegens de staking van de trams had ik geen andere keus dan de trein te nemen en ik wandelde dan maar vanaf het noordstation naar huis. Ik was er niet naar op zoek maar heb haar toch gevonden. En is liefde niet het heerlijkst als ze je overvalt, net dan wanneer je haar niet verwacht?

Waar mijn liefde blind is, ziet zij alles met een aantal ogen waarbij de mythische Argus verbleekt. Le regardwaarover Sartre spreekt, is uit zijn boek gestapt en heeft zich genesteld in de Rue d’Aerschot in Brussel. De meisjes achter de ramen, zelf bedoeld als lust voor het oog, volgen elke beweging in de straat. De mannen aan de andere kant van de ramen doen hetzelfde in tegengestelde richting. De auto’s die de straat doorkruisen rijden stapvoets. Spitsuur of niet, het is er altijd file. De enige file waar sommigen misschien nog graag in staan.

Het lijkt alsof de meisjes achter de ramen nooit slapen. Ze zitten er altijd. Soms mogen ze op pauze. Tenminste, ik denk dat het pauze is omdat ze dan niet naar buiten hoeven kijken. Dan komen de meisjes bij elkaar zitten en lachen ze om een gek sms’je. De gsm wordt doorgegeven, het komisch talent van het trio wordt samengebald tot een schijnbaar hilarische sms als antwoord. Ze lachen, voor de verandering oprecht. Soms gaan ze ook elders pauze houden. Of misschien zijn ze dan juist extra hard aan het werk in een kamertje, verstopt voor voorbijgangers. Dan blijft er een lege plaats over achter het raam. Een tafeltje met handtasjes, jassen en drinkflessen vormt het aangezicht. Een roze drinkfles met bloemetjes. Omdat hoertjes ook mensen zijn.

Opeens kijkt een man me strak aan. Hij stapt net uit zijn auto. Een dure. Ik geloof dat het een Audi was. Het is een wat oudere man, zijn haar is al grijs. Van dat witte grijs waar een mens op hoopt als hij dan toch grijs moet worden. Hij is allerminst onzeker, hoe kan het ook anders? In een duur kostuum als het zijne voelt zelfs een aapje zich koning. Misschien is hij ook wel een beetje koning ergens in een van torens achter het station. Het zou me niets verbazen. De man steekt de straat over, de meisjes hebben hem al lang gezien en wenken naar hem. Misschien een vaste klant? Nog wat gedraal aan het raam, waar twee andere mannen staan. Minder grijs en minder strak in pak. Hij gaat naar binnen. Ik kan het nog net zien vanuit mijn ooghoeken.

Waar tot nog toe het zicht het belangrijkste zintuig was, neemt nu de reukzin deze plaats, al ware het kortstondig, over. Een sterke geur van urine komt tegemoet gewaaid. Van een urinoir ben je eigenlijk haast nooit meer dan vijf passen verwijderd. En voor wie ze niet geroken zou hebben maar daarom niet minder dringend moet wateren, prijken er grote borden boven de faciliteiten: “Ceci est un urinoir”, lees ik. Ik wou dat Magritte het had kunnen zien.

De dure geparkeerde auto’s wisselen elkaar moeiteloos af met exemplaren waarvan je je afvraagt hoe lang de duct tape de boel nog op zijn plek gaat weten te houden. De dakloze, het jonge koppel, de moeder met kinderwagen en kleuter aan de arm, iedereen komt samen in de avondschemering onder de gloed van de rode TL-buizen. In het rode licht is iedereen gelijk.

Zo ook een kleine jongen, hij zal niet ouder dan twaalf geweest zijn. Hij huppelt langs de ramen met de meisjes. Hij heeft een voetbal bij zich en stapt een portiek binnen. De meisjes aan de ramen die het portiek omgeven lachen naar het jongetje, hij lacht terug en zwaait. Vervolgens belt hij aan. Wachten hoeft hij niet, de deur gaat meteen open. In de deuropening staat zijn vriendje, hij zat hem onderaan de trap schijnbaar al op te wachten. Snel schreeuwt het vriendje nog iets de trap omhoog. Waarschijnlijk waarschuwt hij zijn mama, dat hij gaat buiten spelen en heel voorzichtig zal zijn, natuurlijk, hij komt ook op tijd weer terug. Dan rennen de twee snel de straat uit, op naar een veldje om te voetballen, onder het witte licht van straatlantaarns.

0 Comment