Economisch nuttige idioten

Rellen in Brixton, juli 1981

Economisch nut. Wat men al niet met een dergelijke krachtterm kan rechtvaardigen. Universitaire studies kunnen zichzelf enkel en alleen rechtvaardigen door het inroepen van de economische weldaden die deze kennis te onzer beschikking zal stellen.

Onze nationale media maken er natuurlijk een sport van om zich bij het begin van het academiejaar eens vrolijk te maken over de student, dus was de stroom van artikels eind september niet geheel verrassend. Wel bleek het venijn er dit jaar goed in te zitten. Zo wisten enkele drieste zielen al snel te poneren dat de menswetenschappen hun beste tijd gehad hadden. Te veel studenten van matig niveau, zonder arbeidswaarde. Als uw interesseveld niet gebruikt kan worden om de nationale kas enkele miljarden lichter te maken, kan u maar best zelf uw studie bekostigen. Cultuur en economie, ongelukkig getrouwd.

Gelijktijdig met dit vermoeiende debat over het niveau van de student, die daarenboven de verkeerde studiekeuzes maakt, werden we ook overspoeld met een tweede eindeloos refrein: onze samenleving is moreel bankroet. Tweeledig draait het hier rond die jonge generatie (of zoals men deze het jaar ervoor had gedoopt, de Milleniumstudent) en de gevolgen van de economische crisis. Deze is volgens bepaalde stemmen immers geen crisis van de verschillende systemen die onze maatschappij in goede banen leiden. Het is een diepe, individuele crisis van het maatschappelijk moraal. In Nederlands vooraanstaande linkse magazine, de Groene Amsterdammer, trachtten enkele zielen in het GroenLinkse kamp de hand aan zichzelf te slaan. Zo wist Dick Pels te dwepen met de analyses van Theodore Dalrymple, godbetert, om de malaise van de moderniteit een gezicht te geven. Goed en kwaad zijn te definiëren, relativiteit is overal achterhaald.

De ondraaglijke leegte van onze waarden

Aan de ene kant zijn onze menswetenschappen dus nutteloos, want economisch geen gouden dubloenen schijtende ezel. Anderzijds is onze samenleving moreel de pedalen kwijt, als was ze Andy Schleck op de Port des Balès. De heerlijke paradox van een technocratische samenleving die geobsedeerd is met normen en waarden. Dat de verloren normen en waarden slechts abstracte begrippen zijn die geen duidelijke invulling behoeven, schijnt weinig te storen. Over het morele krediet van de voorgaande generaties kan men ook maar best zwijgen, plaatsnamen genoeg die de gruwel van hoogstaande waarden en traditie illustreren. Niet dat dit deze beeldenstormers weerhoudt van de ‘ik’-samenleving verantwoordelijk te houden voor de maatschappelijke problemen. Deze egoïstische samenleving is echter niet het product van de economische krachtverhoudingen of ongebreideld consumentisme, neen, het is het product van een attitude die stelt dat alles kan. Het is, met een omweg, de verfoeilijke erfenis van Mei ’68.

De relatie tussen de economische fundering van de maatschappij en de culturele bovenbouw is momenteel zo ver doorgeslagen dat we de nood voelen om alles met cijfers te rechtvaardigen.

Het conservatieve trauma van Mei ’68 zit diep. Zeer diep. Ondanks dat deze kortstondige confrontatie allerminst is uitgelopen in een overwinning van de verbeelding, zijn velen ervan overtuigd dat deze kortstondige confrontatie alle waarden en tradities om zeep geholpen heeft. Met de navenante niveauverlaging tot gevolg. Welk niveau we ons moeten voorstellen bij de voorgaande generaties is niet geheel duidelijk, waarden nog minder. Het zwijgzame sociale weefsel, waar ieder alles ziet, maar niets zegt? Waar andersdenkenden uitgespuwd worden en de homoseksuelen in de kast blijven? Waar een vrouw altijd tegen de deur loopt maar nooit naar de rechtbank? Wat mij betreft, mag u ze houden, die waarden.

Avondland, redux!

Zo komen we aan een moeilijke tweespalt. Als samenleving schatten we de waarde van sociale wetenschappers niet al te hoog in, om maar te zwijgen van de diploma’s die zij afleveren. We zijn wel enorm bezorgd over elke culturele en morele strubbeling die zich voordoet. Niet de voorstanders van de kunst, maar onze economische cijferfetisjisten hameren er tegenwoordig op dat alles cultureel bepaald is. De immigratieproblematiek is een verhaal van cultuur. Armoede is het verhaal van de hangmatcultuur, en als er gereld wordt, is dit gewoon symptomatisch voor een gebrek aan respect voor gezag.

We willen echter tegelijkertijd ook geloven dat iedereen ingenieur kan worden, en dat dit überhaupt de enige nuttige keuze is. Of heeft u al even vaak mensen horen klagen over het gebrek aan krachten in de zorgsector? Dat in de goede oude tijd ingenieurs even dun gezaaid waren, wordt zedig verzwegen. Zo lang we elke verdienste trachten te meten aan zijn overeenkomende column op het blad van uw dichtstbijzijnde boekhouder, zal het gejammer over vroeger enige daadwerkelijke oplossingen overschaduwen. Tradities zijn een leuke kermisgrap, maar hou ze bij de koers. De relatie tussen de economische fundering van de maatschappij en de culturele bovenbouw is momenteel zo ver doorgeslagen dat we de nood voelen om alles met cijfers te rechtvaardigen. De nutsvraag beperkt zich te vaak tot een mathematische som. Het enige alternatief is blijkbaar een beleid gestoeld op Law & Order: een maatschappelijk beleid gestoeld op een Amerikaanse politieserie. Spannende tijden aan de horizon. Misschien zijn er wel sociale wetenschappers die de complexe relatie tussen cultuur, economie en maatschappelijke verhoudingen weten te duiden. Maar ja, wie gelooft die mensen nog?

0 Comment