Oriëntatieproef: de ultieme gps?

In de wandelgangen van de vele studentenraden die Vlaanderen rijk is, gaat de oriëntatieproef – of is het oriënteringsproef? – weer vlotjes over de tong. Op initiatief van de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) bezinnen statutaire studentenvertegenwoordigers zich over de inmiddels beruchte drop-outcijfers: bijna vijftig procent van alle debutanten van het hoger onderwijs, slaagt niet.

Het is als spreken over de Belgische frank in tijden van de euro. Men weet dat studenten niet meer slagen voor ‘jaren’, maar voor studiepunten. Men weet dat ‘bissen’ een gedateerd begrip is. En toch wordt iedere keer opnieuw gewag gemaakt van de kleine vijftig procent drop-outs om zo eindelijk de oriëntatieproef door de strot van de student te rammen. En waar met percentages gezwaaid wordt, loeren de vergelijkingen om de hoek. Met Nederland bijvoorbeeld, dat maar met twintig procent drop-outs kampt. Dat een inschrijving aan een Nederlandse universiteit gemiddeld 1.800 euro kost, houdt men dan wel stiekem voor zichzelf.

De vraag is maar hoeveel studenten niet (volledig) slagen omdat ze niet op hun plaats zitten. Ongetwijfeld zijn dat er een aantal, en elk voorstel om dat percentage te verminderen moet overwogen worden. De oriënteringsproef is echter geen goed voorstel, en net om zijn hoofdkenmerk: de vrijblijvendheid. Immers, een student beseft zijn slechte oriëntatie pas als het te laat is, als hij zich al georiënteerd heeft.

“Het bloed vloeit er nooit, de zever des te meer”, liet Mark Eyskens ooit optekenen toen hij het over België had. Dat geldt ook voor Vlaanderen, zeker in dit debat. Uit dit discours blijkt namelijk het volgende: de studenten die niet al hun credits hebben behaald, hebben zich vergist. Dat is de achterliggende gedachte die heel dit debat geselt. De oorzaken liggen elders, op domeinen waar een oriënteringsproef geen verschil zou maken. Vlaamse beleidsmakers willen die oriënteringsproef om hun eigen falende beleid te maskeren, om de onkunde om secundair en hoger onderwijs afdoende op elkaar af te stemmen, te verbergen. Want daar loopt het spaak: een zesdejaars krijgt geen globaal beeld over de mogelijkheden die hoger onderwijs hem bieden. Het vrije en het GO!-onderwijs lopen elkaar voor de voeten: geen collegeleerling die weet dat de VUB de richting agogiek herbergt, en atheneumstudenten moeten via lippendienst horen dat aan de KUL pedagogie een mogelijkheid is. Ontzuiling, wij? Wat blijft Vlaanderen op onderwijsgebied een kleine, kleine regio. Hoe graag willen we ons niet meten met de grote universiteiten, terwijl de Vlaamse hoger onderwijsinstellingen elkaar zelf het licht in de ogen niet gunnen, tenzij om elkaar te verblinden.

Maar ook de instellingen zelf treft schuld. Interessant zou een onderzoek zijn dat het aantal drop-outs meet die door administratieve rompslomp een incorrect jaarprogramma hebben toebedeeld gekregen, en daar het slachtoffer van zijn geworden. Zeker aan de VUB zou dat voor opzienbarende resultaten zorgen. De studentvriendelijkheid is dan ook ver zoek, voor eerste bachelors des te meer. Zo kregen onder meer de eerstejaars rechten dit jaar via mail te lezen dat zij “zelf de verantwoordelijkheid dragen” voor hun jaarprogramma. De hele faculteit Rechtsgeleerdheid moet het rooien met 1 (!) studietrajectbegeleidster die verzuipt in de registratie van de jaarprogramma’s van 1600 studenten; tijd om vragen te beantwoorden in verband met specifieke trajectplanning, heeft zij niet. En als een student politieke wetenschappen in november beslist om over te stappen naar rechten, kan hij niet meer deelnemen aan het examen voor het vak ‘Bronnen en beginselen’ in eerste zit, omdat hij “te veel werkcolleges heeft gemist”. Vervolgens wordt het vak niet meer opgenomen in zijn jaarprogramma, en ziet hij ook de tweede zittijd aan zijn neus voorbijgaan. Resultaat: drop-out, hoewel hij geslaagd is voor alle vakken waar hij een examen voor mocht afleggen. Zo is de kaap van vijftig procent drop-outs snel bereikt.

Een oriënteringsproef zou om die redenen een kaakslag zijn voor de student. Want er zijn diensten zat aan de VUB, die de weifelende student met raad en daad bijstaan. Studiebegeleiding, leertechnieken, advies, you name it. Allemaal perfect te regelen op universitair niveau. Conclusie: als een student in zijn eerste jaar niet slaagt, ligt dat slechts in een bepaald aantal gevallen aan een slechte studiekeuze. Andere factoren spelen een grotere rol. Wanneer zogenaamd ‘onafhankelijke’ onderzoekscentra drop-outs dan ook nog eens zien als “sociale verspilling” (sic) (Vives-studie van 27 september 2010), is het hek natuurlijk helemaal van de dam. Het wordt tijd dat de beleidsmakers, minister Smet en pleitbezorgster Fientje Moerman op kop, en de instellingen hun verantwoordelijkheid nemen, in plaats van die door te schuiven naar de student.

0 Comment