Een paradoxaal encomium voor Harry Mulisch

Door Flor Van der Eycken

Weinig mensen weten dit, maar de uitdrukking “van de doden niets dan goed” is in feite een foutieve vertaling van het Latijnse “De mortius nil nisi bonum”. Letterlijk zou het credo in kwestie moeten luiden:”Van de doden wordt alles ten goede geduid.” Een kleine, maar belangrijke nuance, die ook kan verklaren waarom men algemeen aanvaardt dat het niet verboden of ongepast zou mogen zijn om kritiek te leveren op de daden van overleden figuren als daar zijn een Adolf Hitler, een Leopold II, een Caligula of een Herman De Coninck.

U voelt het waarschijnlijk al aankomen: ik ben van plan hier zelf enkele minder aardige woorden over dhr. Mulisch te placeren. Dit doe ik niet om eens lekker “contrarie” te doen en derhalve indruk te maken op mijn leeftijdsgenootjes (dat is slechts een bonus), maar als een waarschuwing ten opzichte van de beïnvloedbare jonkheid die haar ogen op dit blad laat vallen. We weten allemaal hoe jonge mensen vandaag de dag slechts een half woord over een klassieke auteur hoeven op te vangen op het door hen massaal bekeken televisienieuws om massaal naar de bibliotheek te hollen en zich vervolgens op het volledige oeuvre van de schrijver in kwestie te storten. De talrijke hommages aan Mulisch die op de dag van zijn overlijden volgden kunnen op die manier onschatbare schade aanrichten. Als ik slechts één naïeve jongeling van een dergelijke noodlottige daad kan weerhouden, zullen al die pagina’s die ik in mijn middelbare schoolcarrière aan het tactloze symbolisme in “De Aanslag” heb moeten spenderen niet voor niets geweest zijn.

Om dit te verwezenlijken is het vooreerst belangrijk de populariteit van de auteur te verklaren: Mulisch speelde reeds van het begin van zijn carrière behendig in op de gevoeligheden van literaire recensenten, zonder deze echter ooit in het minste uit te dagen. Hij gaf de nietsvermoedende lezer het warme gevoel zich in een intellectuele ontdekkingstocht te storten, maar leidde hem in werkelijkheid slechts langs een lijstje verstikkende motieven en obscurantistische verwijzingen. Deze literaire trucjes dienden hetzelfde doel als de complete afwezigheid van humor in zijn verzameld werk: het feit verbergen dat de keizer niet alleen geen kleren had, maar zich bovendien
pijnlijk bewust was van zijn naaktheid.

Daartoe stapelde Mulisch laag na laag op in zijn verhalen, tot niemand – het minste nog hijzelf – meer kon volgen waar het allemaal precies over ging. Een mesthoop mag echter zoveel lagen hebben als er sterren in ons universum zijn, de geur wordt er niet beter van. Bovendien vervulden amateur-literatuurcritici en onbekwame leerkrachten Nederlands voor de particuliere mesthoop van Mulisch de rol van strontvlieg en rafelden zij met veel enthousiasme iedere overdreven metafoor uit mekaar, ondertussen collectief klaarkomend bij het knabbelen op de ge-ni-ale structuur die de auteur in zijn iedere literaire stuiptrekking dacht te moeten leggen.

“De Hubert Lampo van het noorden” werd Mulisch wel eens minachtend genoemd. De vergelijking is eigenlijk te mild.“Woody Allen zonder zelfrelativering” ware gepaster geweest. Vrijwel ieder hoofdpersonage dat in zijn werk opduikt is een doorzichtige proxy voor de auteur; bovenmatig intelligent, onverklaarbaar onweerstaanbaar voor de vrouwtjes en doodsbang voor technologie uitgevonden na de tweede wereldoorlog.

Dat laatste, zijn enigszins potsierlijke neo-luddisme, was nog het best te vergelijken met de filosofie van een dementerende gepensioneerde die er op staat zijn medicatie te blijven bestellen via telegram, ook al heeft de lokale apotheek al lang geen telegraaf meer. Het was bovendien de drijvende kracht achter Mulisch zijn zogenaamde meesterwerk “De ontdekking van de hemel”, het soort boek dat Salman Rushdie zou geschreven hebben tussen twee serieuze boeken door, indien hij een zichzelf overschattende puber uit Noord-Holland zou zijn geweest.

Ik hoop desondanks dat Harry Mulisch zijn hoogstpersoonlijke hemel op dit moment aan het ontdekken is. Slechte literatuur is geen zonde – een gegeven waar niet alleen ikzelf dankbaar om ben – en ik heb geen speciale reden om de man een vredige rust te misgunnen. De ontdekking van zijn literaire nalatenschap kan ik daarentegen enkel ramptoeristen van het meest schaamteloze soort aanbevelen. En onbekwame leraren Nederlands natuurlijk, dat spreekt.

0 Comment