Hoe Paul van Ostaijen Brusselaar werd

Door Jurgen Masure

Toen Paul van Ostaijen in Brussel woonde, maakte hij deel uit van een enorm artistiek netwerk. De relatie die hij had met deze, voornamelijk Franstalige, schrijvers bleef in de literatuur maar al te vaak onderbelicht. Hoog tijd om hier wat verandering in te brengen.

Bij het uitspreken van de dichtersnaam Paul van Ostaijen weerklinkt automatisch een hele reeks gevoelswaarden. De stad Antwerpen, zijn invloed in het poëticale denken, de Berlijnse ballingschap, de dada-beweging en de onsterfelijke dichtregels als /Boem Paukeslag/ en /Slinger singer naajmasjien/. Ach ja, de Polle doet wat met een mens.

Het van Ostaijen-patrimoneum is dus immens. De literaire erfenis van deze modernistische dichter en criticus werd hierdoor uitvoerig bestudeerd. Toch stellen we vast dat zijn Brusselse leven niet de nodige aandacht kreeg. Zijn vriendschaps- en professionele banden met Franstalige schrijvers uit Brussel blijken bijkomend haast te zijn genegeerd, zo stelde Henri-Floris Jespers vast in zijn lezing bij de onlangs gehouden boekvoorstelling van de briefwisseling tussen van Ostaijen en Wies Moens. Verandering van de van Ostaijenspijs doet beter eten.

Toen van Ostaijen in de periode 1925-‘26 in Brussel woonde en werkte, rekende hij in het culturele netwerk niet de minsten onder zijn vrienden. Zo werkten René Magritte, Camille Poupeye, alsook Michel de Ghelderode en Geert van Bruaene nauw met hem samen aan verschillende artistieke en educatieve projecten. Stuk voor stuk interessante persoonlijkheden. Reden te meer om deze banden beknopt uit te diepen.

Dichterlijk genie

Maar laat ons beginnen bij het begin. Paul van Ostaijen (geboren als Leopoldus Andreas van Ostaijen) werd in 1896 geboren te Antwerpen als zoon van een naar de Scheldestad geëmigreerde Nederlander. Van kindsbeen af ontwikkelde de jonge Paul een grote liefde voor kunst en literatuur, overigens tot grote ergernis van zijn vader. In 1913 gaf hij de schoolbanken op en werkte hij enige tijd als stadsklerk in het Antwerpse stadhuis.

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Tussen dit en 1916 publiceerde de adolescente van Ostaijen enkele stukken, recensies en gedichten in verschillende bladen. In 1916 bracht hij dan zijn eerste dichtbundel uit. Door deze Music-Hall, en de daaropvolgende bundels Het sienjaal (1918) en Bezette stad (1921), werd hij prompt gebombardeerd tot kopman van de Antwerpse avant-garde.

Door zijn flamingantisch activisme tijdens de bezetting keerde hij België de rug toe en vertrok halsoverkop naar Berlijn. Daar trachtte hij artistiek heel wat op poten te zetten, slaagde daar niet in, schreef het filmscenario De bankroet jazz, maakte een innerlijke crisis door en keerde in 1921 uiteindelijk terug naar België. Zijn nooit uitgegeven bundel De feesten van angst en pijn is hier een directe weerslag van. In 1925 vestigde hij zich, na zijn verplichte legerdienst, in onze Belgische hoofdstad. Door zijn grote liefde voor de beeldende kunsten, probeerde hij het hier te maken als kunsthandelaar. Dit was geen lang leven beschoren en hij trok in 1926 opnieuw naar Antwerpen.

Maar de erfelijke van Ostaijenziekte, de dodelijke longtuberculose, haalde hem ook in en hij raakte zwaar ziek. Het was pas op het einde van zijn leven dat van Ostaijen zich dichterlijk volledig begon te bekwamen. Maar het lot sloeg toe en in 1928 stierf het dichterlijk genie Paul van Ostaijen in een Ardens sanatorium.

Al bij al Brusselaars

Zoals we al vertelden, in 1925 trok van Ostaijen naar Brussel. “In deze tijd aanvaardde van Ostaijen de uitnodiging van Pierre Bourgeois om hem, tezamen met de eveneens Franstalige dichter René Verboom, bij te staan in de leiding van de Compagnons de la Lanterne Sourde (een artistieke en literaire groepering aan de Brusselse universiteit, die studenten en artiesten, wetenschap en kunst wilde bijbrengen, nvdr.).” Dat stelde Gerrit Borgers een kleine 40 jaar geleden vast in zijn monumentale van Ostaijendocumentatie.

Toch enkele bemerkingen. René Verboom bleek meer niet dan wel aanwezig te zijn op de door de genootschap gehouden lezingen. Dat leren we alleszins uit de notities van co-directeur Pierre Bourgeois, welke te lezen staan in de geannoteerde supplementen van de door Roland Beyen verzorgde briefwisselingen van Michel de Ghelderode.

Wat de eigenlijke relatie tussen Verboom en van Ostaijen was, daar hebben we het gissen naar. Er bestaat geen directe weerslag van hun kennelijk bestaande vriendschapsband.

Dat de Ghelderode en van Ostaijen elkaar kenden, staat buiten kijf. Door zijn toneelstukken werd de Ghelderode vaak beschouwd als een voorloper van de Franse theatermaker Antonin Artaud. De Brusselaar de Ghelderode (pseudoniem van Adémar Adolphe Louis Martens) was geen onbekende van het toenmalige netwerk in en rond de hoofdstad. Hij had contact met bekende en minder bekende Brusselaars: de schilder Maurice Cantens, de schilder René Magritte, de kunstliefhebber Geert van Bruaene, de dichter Camille Poupeye, en ja, ga zo maar verder.

De Ghelderode en van Ostaijen kenden dan ook elkaar. Zij leerden elkaar kennen via Geert van Bruaene. Deze Kortijkenaar had als kunstliefhebber en amateurkunstenaar enkele ateliers en expositieruimten in het Brusselse. Zo dirigeerden Van Bruaene en van Ostaijen een tijdlang tezamen de expositieruimte A la Vièrge Poupine. Hierin vonden heel wat expressionistische kunstenaars hun gading.

Het was door het Cabinet Maldoror, Van Bruaene’s ruimte in de Ravensteingalerij, dat van Ostaijen de Ghelderode leerde kennen. Daarnaast verbond de Ghelderode zich, eerder sporadisch, ook met het Lanterne Sourde-genootschap. Zoals we al zagen fungeerde van Ostaijen hier als co-directeur.

E.L.T. Mesens, musicus en schilder, leerde van Ostaijen al in 1923 kennen. Van Ostaijen werkte dan ook gretig mee aan de door hem geleide tijdschriften, zoals Oesophage en Marie. Mesens werkte dan ook steeds samen met de fine fleur van de avant-gardistische kunstwereld (Tristan Tzara, Max Ernst, René Magritte, Man Ray, Paul Eluard, …). Via Mesens kwam van Ostaijen in contact met die andere bekende surrealist, René Magritte. Het is niet onmogelijk dat van Ostaijen en Magritte (overigens ook goed bevriend met Van Bruaene) elkaar enkele malen hebben ontmoet. Zo verzorgde Magritte de frontspice voor van Ostaijens Het bordeel van Ika Loch en frequenteerden beiden heren dezelfde kringen.

De toenmalige artistieke wereld was dus klein, doch immens van uitstraling, en het devies ‘iedereen kent iedereen’ leek dan ook als geen ander te gelden.

 

ORGERS (Gerrit). Paul van Ostaijen. Een documentatie. Den Haag, Uitgeverij Bert Bakker, 1971;
BUELENS (Geert). Van Ostaijen tot heden: zijn invloed op de Vlaamse poëzie. Amsterdam, Uitgeverij Vanthilt, 2001;
DE GHELDERODE (Michel.) e.a. Correspondance de Michel de Ghelderode: tome I, 1921-1928: Etablie et annotée par Roland Beyen. Bruxelles, Labor, 1991.

Goudblommeke in Papier, café in Brussel, Maart 1953. Links naar rechts: Marcel Mariën, Camille Goemans, Irène Hamoir, Geert Van Bruaene, Georgette Magritte, E.L.T. Mesens, Louis Scutenaire, René Magritte en Paul Colinet
0 Comment