Een winters feit, IV

De in zijn botten klievende reuma had Hertog Hendrik tot een slang gemaakt die o zo graag zijn vel zou willen afwerpen, maar daar maar niet in slaagt, al het lederachtig gekronkel ten spijt. De geleerden die kalendergewijs de lente voorspeld hadden, waren dan toch niet zo geleerd, want van lente was er hoegenaamd geen sprake. En dan moesten de kampvuurverkiezingen nog komen. Die voormiddag had hij een afspraak met het Secretariaat van het Kampvuur, dat zoals elk jaar de verkiezingen organiseert. Niet dat Hertog Hendrik zo’n moderne democraat is: integendeel, het Kampvuur komt hem net goed van pas, omdat hij op die manier een zwart schaap heeft dat hij kan beladen met de zeven zonden van Israël.

“Zou er dit jaar dan eindelijk een bekwaam Kampvuur naar voren treden?”, vroeg de dienstbode. “Neen, beste dienstbode, daarvoor dient zo’n bijeenkomst niet. We hebben er net alle baat bij dat een zootje ongeregeld zich meester maakt over die vergadering. Het is maar opsmuk. Of dacht je nu werkelijk dat ik, als rechtgeaarde monarch, nog maar naar een schijntje democratie smacht? Het volk is dom, hou het dom”, zo legde Hertog Hendrik zijn bode het zwijgen op. Traditioneel was het de gewoonte van de verkozen kampvuurraadsleden om over lucht te praten, of toch zeker over thema’s die dezelfde inhoudelijke waarde hebben. “Dat Kampvuur symboliseert de oermens, bode. Het brein van de raadsleden is navenant.”

De bode krabde zich achter de groene oren. “Maar ze moeten toch verkozen worden?”, probeerde hij de mist tussen de oren te doorklieven met het licht van inzicht. “Ach, ze hebben het over politieke moed om te stemmen, maar eigenlijk getuigt het om te beginnen al van politieke moed om zich kandidaat te stellen en zich zo te openbaren als idioot. En dan komt zo meteen dat Secretariaat van het Kampvuur nog langs. Ik zal het in ieder geval om een week uitstel moeten vragen, aangezien ik komende zondag voor een week op gezondheidskuur vertrek, in het Zwarte Woud. Ik sta wel een beetje schijndemocratie toe, maar zonder mij geen kampvuurverkiezingen, dat geef ik je op een briefje.”

Het leek de hertog op te luchten. In eenzaamheid je woede koelen is ook maar saai: het is des te vermakelijker als er iemand bij is, die op zijn beurt weer opmerkt dat je een beetje zou moeten kalmeren, met dan weer als gevolg … dat je nog kwader wordt. “Ze weten helemaal niets! Ze worden belachelijk gemaakt waar ze bij staan en zijn nog in staat je daarvoor te bedanken! Met zo’n lager gelegen trap van de evolutie hebben wij te maken. Wat wil je dan, bode van me? Dat ik de macht aan het volk geef? Hoepel toch op, met je politiek correct gezwets. Ze zouden nog niet weten hoe ze eraan moeten beginnen. Stel, ik geef dat Kampvuur macht. Geloof je dat er ook maar één iemand zou zijn die zich bekwaamt in staatszaken? Of denk je dat mijn dag enkel en alleen maar bestaat uit denkend zwijgen en zwijgend denken? Het zou een puinhoop worden, bode. Leiderschap verkies je niet democratisch, leiderschap heb je wel of niet.”

De hertog kwam op dreef. “Dat klootjesvolk heeft een sterke hand nodig, bode, en ik ben degene die het volk nodig heeft. Mocht ik er niet geweest zijn, Frederik Van Thielen had al heel lang de macht onvoorwaardelijk aan het volk gegeven. Je ziet wat er gebeurt in enkele kantons: Frederik Van Thielen en de Achttien Anarchisten maken er een puinhoop van, en in dat egalitair zootje is het enige waartoe de mens in staat is het produceren van een lange en zoutloze eenheidsworst. Bah, bode, een land heeft zijn elite nodig! De beschaving is maar zo groot als zijn grootste denkers. En dat, bode, dat is de realiteit.”

“En als je me nu zou willen verontschuldigen, bode: ik ga mijn koffers al pakken. Kwestie van niks te vergeten. Mocht ik niet terugkeren: geef alles wat ik heb maar aan Freddy Thieledinges, met een grote strik errond. En zeg hem dat hij een smeerlap is. En dat het geen schande is voor het volk om dom te zijn, maar wel voor een zelfverklaard leider die alles en iedereen tot die domheid wil herleiden. Een man die openlijk uitkomt voor degeneratie, en waarvoor nog staande ovaties klinken ook. Vergeef hen Rede, ze weten niet wat ze doen.”

0 Comment