BRUTUS van dichtbij bekeken

Het BRUTUS-project (voluit BRUsselse TUtoren voor Scholieren) ging officieël van start op 3 april 2006 en is momenteel bezig aan zijn derde levensjaar. Via deze weg krijgen studenten van het Brusselse hoger onderwijs de kans om jongeren uit de middelbare school met een leer-en taalachterstand te motiveren. Een betere doorstroming van het secundair naar het hoger onderwijs staat hierbij voorop.

Door Silke De Nies

Het BRUTUS-project, dat financieel wordt ondersteund door de Koning Boudewijnstichting en de Vlaamse gemeenschapscommissie, wil door de bijlessen van studenten aan scholieren twee zaken bereiken: er wordt hulp geboden bij het verwerken van de leerstof en de taal- en studievaardigheden worden verbeterd. Het is echter niet de bedoeling dat studenten de taak van de leerkrachten klakkeloos overnemen. Doordat ze qua leeftijd en leefwereld dichter bij de leerlingen staan, kunnen ze hen op een andere manier benaderen. De tutoren hebben de kans om zo een rolmodel te worden en de doorstroming naar het hoger onderwijs van leerlingen met leerachterstand te vergroten.

Dit initiatief is niet het enige in haar soort. Het idee werd reeds in 1989 door de Université Libre de Bruxelles (ULB) naar voor geschoven, met als resultaat het Schola-project. Ook in Antwerpen kent men een gelijkaardige aanpak onder de naam Tutorat. Vele steden kampen namelijk met overeenkomstige problemen. Bepaalde doelgroepen stromen minder snel door naar het hoger onderwijs en hebben, indien dit wel gebeurt, kleinere slaagkansen. In tegenstelling tot andere steden kampt Brussel met een bijkomend probleem. Het taalaspect moet hier mee in rekening worden genomen. Brusselse Nederlandstalige scholen kampen allen met eenzelfde probleem: de grote aanwezigheid van niet-Nederlandstalige leerlingen. Nederlands is als dusdanig vaak enkel binnen een schoolse context aanwezig. Door deze taalachterstand lopen leerlingen ook makkelijker leerachterstand op. Het is bijgevolg cruciaal dat alle Brusselse tutoren zich, naast de vakken waarmee de leerlingen problemen hebben, richten op het bijsturen van de kennis van de Nederlandse taal.

In hoeverre is deze aanpak echter voldoende om tot een verdere democratisering van het hoger onderwijs te komen? Professor Machteld Demetsenaere (begeleidster van het project) en Ann Van Slijcke (coördinatrice) leggen uit dat er weliswaar een veelheid van pistes kan worden bewandeld, maar dat de financiële steun ontbreekt. Eén van de ideeën is om leerlingen die uiteindelijk toch doorstromen naar het hoger onderwijs verder te begeleiden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door middel van mentorschap. Bovendien zou het ideaal zijn wanneer men het tutorproject zou kunnen uitbreiden naar de lagere school. Hoe vroeger men de taalachterstand kan bijwerken, hoe beter.

Voorlopig worden er echter wel voldoende subsidies uitgereikt om het BRUTUS-project draaiende te houden. Wanneer dit niet meer zo zou zijn, zou het einde snel in zicht zijn. Naast deze afhankelijkheid van het krijgen van financiële steun, hangt het slagen van het project ook af van de scholen in kwestie. Indien bijvoorbeeld de samenwerking met de leerkrachten stroef verloopt of er een nieuwe coördinator is binnen de school, hebben de zaken de neiging om niet altijd op rolletjes te lopen. Nog belangrijker is de medewerking van de leerlingen. Hoewel ze zich vrijwillig moeten inschrijven, is dit niet altijd het geval. Het is volledig zinloos om in zulke situaties bijlessen te geven.

Momenteel staat het project nog in zijn kinderschoenen, met als gevolg dat er zich een aantal kleine problemen voordoen. Deze worden echter stilaan uit de weg geruimd. Zo probeert men meer na te gaan of de ingeschreven leerlingen dit werkelijk vrijwillig doen. In tegenstelling tot het eerste jaar moeten leerlingen daarom nu een engagementsverdrag ondertekenen. Daarnaast probeert men de ouders meer te betrekken bij het project. Steun van thuis uit mag niet worden onderschat. Bovendien moet de communicatie met de betrokken scholen worden geoptimaliseerd. Wanneer leerlingen meermaals niet aanwezig zijn in de lessen, moet dit worden gemeld aan de coördinator binnen de betrokken school, zodat eventuele oorzaken kunnen worden onderzocht.

Of BRUTUS werkelijk vruchten afwerpt, is volgens professor Demetsenaere en Ann Van Slijcke moeilijk te achterhalen. “Ten eerste is het nog een zeer jong project, waardoor men nu pas zou kunnen nagaan of er enige doorstroming is van de geholpen leerlingen naar het hoger onderwijs. Ten tweede zijn hier meer financiële middelen voor nodig: zonder geld is er geen onderzoeksproject en bijgevolg geen analyse. Ten derde is er, doordat het niet gaat om een duidelijk wetenschappelijk experiment, moeilijk een causaal verband vast te leggen tussen de tutorlessen en de doorstroming naar het hoger onderwijs.”

Wel duidelijk is dat het aantal scholen dat wenst deel te nemen jaarlijks toeneemt. Bij het pilootjaar schreven er zich drie in. Dit is reeds opgelopen tot tien scholen. Ondertussen nemen er ook al een dertigtal tutoren deel, waardoor zo’n 270 leerlingen worden bereikt. Indien al een aantal van deze jongeren gemotiveerd kan worden door deze aanpak, is er sprake van een geslaagd project. Dus, beste Moeiallezers, gaat en verspreid uw kennis!

0 Comment