Kwaliteitszorg en L

Eén van de eerste nieuwsbrieven van het jaar 2009 kopte: “NVAO-accreditaties bevestigen de kwaliteit van de VUB.” De kwaliteit van het onderwijs is een materie waar al veel overgeschreven werd, maar wat zijn dat nu eigenlijk, die accreditaties, en hoe verhouden ze zich tot de kwaliteit van het onderwijs?

Door Piet Van de Velde

De NVAO – voluit de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie – houdt zich in feite bezig met het definiëren van een algemene maatstaf voor alle opleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen en Nederland. Het verkrijgen van een accreditatie voor een instelling is noodzakelijk om een vergelijkbare en kwaliteitsvolle bachelor- en/of masteropleiding te kunnen inrichten (maar ook om aan de kassa te passeren).

Het nut en belang van de NVAO past volledig in de Bologna-akkoorden. De accreditaties garanderen dat het behaalde diploma een internationale herkenbaarheid op de arbeidsmarkt geniet. Anders gesteld verzekeren de accreditaties dat elke opleiding – of die nu in Gent, Leuven, Brussel of Antwerpen werd gevolgd – over eenzelfde basis van kwaliteit beschikt. Bovendien zorgt het ervoor dat een student gemakkelijk en zonder enig probleem kan overschakelen tussen twee instellingen en bijvoorbeeld zijn bachelordiploma Burgerlijk Ingenieur in Brussel kan behalen om vervolgens voor het masterdiploma naar Gent te verkassen.

Maar wat is de echte waarde en betekenis van al deze accreditaties? Is het niet zo dat de beste evaluaties door de onderwijsinstelling zelf worden georganiseerd? Evaluaties waarin de studenten zelf betrokken worden zijn toch veel betrouwbaarder dan de mening van een of andere expert die de universiteit in kwestie eigenlijk niet echt kent. Dergelijke studentenevaluaties worden ook in internationale rankings gebruikt. De mening van de student vertaalt zich in dergelijke rankings altijd in een zeer belangrijke parameter. Steevast polsen internationale ratingbureaus naar de tevredenheid van alumni maar ook naar die van het huidige studentenpubliek.

Nu wordt de VUB –  vaak zelfs volledig politiek neutraal (!)? – met trots geprezen voor de kwaliteit van zijn onderwijsevaluaties. Het betreft de door iedereen gekende internetenquête die elke student op het einde van elk semester (verplicht) moet invullen. In deze enquête wordt de student gevraagd om alle aspecten van de gevolgde opleidingsonderdelen te beoordelen. De resultaten worden omgezet naar een cijfer op twintig. Deze score wordt vervolgens in een vijfpuntenschaal onderverdeeld, gaande van zeer slecht tot zeer goed.

De uiteindelijke resultaten kunnen opgesplitst worden in twee afzonderlijke beoordelingen. Allereerst is er sprake van een signaalbeoordeling (uitgedrukt in een categorie, e.g. goed). Deze signaalbeoordeling stemt overeen met het 33ste percentiel op de beoordelingsschaal, met andere woorden het signaal drukt de opinie uit van minstens 1/3 van de groep studenten die het opleidingsonderdeel evalueerden. Wanneer dit signaal slecht (minder dan 10/20 voor de prof), of zeer slecht (minder dan 5/20) is, spreekt men van een probleemsignaal. Onmiddellijk wordt er dan een opvolgingsprocedure gestart, in samenwerking met de vice-rector voor Onderwijs en de decaan van de faculteit waar het bewuste vak gedoceerd werd. De tweede beoordeling is een gemiddelde beoordeling (uitgedrukt in een cijfermatige score en in een categorie). Deze tweede beoordeling drukt de gemiddelde tevredenheid van alle studenten van het opleidingsonderdeel uit. Hier zie je al duidelijk de terugkoppeling naar de algemene tevredenheid bij de student.

Helaas begint het vanaf hier ook allemaal een beetje te veel op L’origine du monde van Gustave Courbet te lijken. U kent het wel, het schilderij waarop enkel een vagina te zien is. Toen Gustave Courbet het schilderij verkocht aan een Turkse diplomaat, een verzamelaar van erotische schilderkunst, verborg deze nieuwe eigenaar het door er een ander schilderij voor te hangen. Er heerste lange tijd een taboesfeer rond het werk. Volgens velen vervaagde de grens tussen pornografie en schilderkunst wanneer men naar dit doek keek. Zelfs toen het schilderij uiteindelijk in handen viel van de beroemde psychoanalyticus Jacques Lacan, vroeg die aan zijn schoonbroer om een soort gordijn te schilderen waar het onderliggende doek nog slechts vaag op viel te herkennen.

Lacan organiseerde vervolgens af en toe avonden waarop hij een zeer geprivilegieerd iemand uitnodigde en het origineel van Courbet aan hem onthulde. Het verband tussen de onderwijsevaluatie en de manier waarop Lacan naar L’origine du monde keek is treffend. De algemene resultaten van de enquête kan u weliswaar terugvinden – indien je een uurtje de tijd hebt om ze te zoeken op de website – maar wat er met de opvolgingsprocedure gebeurt, is onduidelijk. Van transparantie is eigenlijk geen sprake. Vooral naar de bevindingen van de follow-upprocedure, die opgestart wordt na een negatieve signaalbeoordeling, blijft het gissen. Duiding over wat er precies aan de hand is, blijft uit. Deze informatie is enkel toegankelijk voor een beperkt gezelschap geprivilegieerden – net zoals bij Lacan en zijn L’origine du monde, destijds.

Langs de ene kant is deze mystiek te begrijpen. Het gaat hier nog altijd om iemands academische carrière. Zeker met de zaak-Thevissen nog vers in het achterhoofd is het begrijpelijk dat vooraanstaande academici kleine professionele probleempjes liever uit het nieuws willen houden (tenzij er geen weg terug meer is). Een andere verklaring kan mogelijk liggen in het feit dat het publiekelijk maken van sommige problemen niet alleen negatief kan uitdraaien voor de professor in kwestie, maar ook voor het imago van de universiteit.

Langs de andere kant is dit de prijs die we betalen omdat we nu eenmaal van professoren competente lesgevers verwachten.De kwaliteit van het onderwijs kan niet langer gemeten worden op basis van de kwaliteit van het geleverde onderzoek. Het is ook zeer goed mogelijk dat er een zekere vrees bestaat bij het academisch personeel over de betrouwbaarheid van de beoordeling. De vrees voor mogelijke represailles is reëel. Deze problematiek is vooral terug te vinden bij de beoordeling van de promotor van de masterproef of in zeer kleine klassen (genre filosofie). De zeer persoonlijke relatie tussen de professor en de student zorgt voor het verdwijnen van enige vorm van anonimiteit bij het invullen van de beoordeling.

Een ander heikel punt is dat de onderwijsevaluatie ook werkt met een quorum (er dient een minimum aantal studenten de evaluatie in te vullen). Indien het quorum niet gehaald wordt, hecht men weinig of geen belang aan de resultaten van de enquête. Dit is eigenlijk vrij logisch. Juiste conclusies kunnen enkel getrokken worden wanneer de steekproef voldoende groot is. Het is een feit dat de studentenparticipatie aan alle Vlaamse universiteiten een historisch dieptepunt bereikt heeft en men moet zich dan ook afvragen in hoeveel gevallen het quorum effectief behaald wordt (dit kan men immers niet afleiden op basis van de vrijgegeven cijfers). De interesse om de enquête in te vullen is immers niet altijd aanwezig bij het bredere publiek. Er dient echter te worden opgemerkt dat hier een belangrijke opdracht en opportuniteit ligt voor de studentenvertegenwoordigers. Deze zouden hun electoraat actief kunnen aanzetten om de evaluaties in te vullen. Tegelijk zou dit hen ook de noodzakelijke voeling met de achterban geven.

Net zoals L’origine du monde is kwaliteitszorg een portret dat je het best in alle openheid bekijkt. Ondertussen hangt het schilderij veilig en in al zijn naaktheid, in het Musée d’Orsay, te wachten op kijklustigen. Laten we nu ook de taboesfeer van de kwaliteitszorg doorbreken en er niet langer zoals Lacan naar gapen.

0 Comment