Robert Crumb vs. Fritz the Cat: “I’m hung up, strung out, up tight”

Volgende maand herdenken we met z’n allen de gebeurenissen van Mei ’68, onderwijl alweer bijna veertig jaar geleden. Ook aan de andere kant van de plas waren de sixties bewogen jaren die diepe indrukken achterlieten in het collectieve geheugen. Wie herinnert er zich Fritz the Cat nog? Kent u echter ook zijn geestelijke vader Robert Crumb?

Crumb, een striptekenaar van beroep, werd in de jaren ‘60 een van de idolen van de counterculture in de VS. Ironisch genoeg voelde Crumb zich geheel niet thuis in de jaren ‘60. Stilistisch leunde hij veel dichter bij de jaren ‘20 en ‘30 aan en hij schaamde zich niet om de popcultuur van de ‘60 als utter shit te omschrijven. Voor velen was hij echter het summum van een artiest die zijn integriteit behield en er tegelijkertijd in slaagde om de samenleving grondig te shockeren. Hierdoor vond hij zichzelf aan het eind van de jaren ’60, de piek van de hippiecultuur, gebombardeerd tot icoon van een generatie en godfather van een nieuwe, alternatieve stijl van striptekenen: Comix.

Crumb werd geboren op 30 augustus 1943 in Philadelphia, Pennsylvania. Hij kwam ter wereld in een disfunctionele familie, omringd door artistiek aangelegde broers en zussen. Zelf toonde Crumb al vroeg een grote belangstelling voor de kunst van het striptekenen, een passie die aangemoedigd werd door zijn broer Charles, zelf een enorme fan en verzamelaar van comics. Samen met zijn broer creëerde hij als kind een eigen strip genaamd Foo. Deze probeerden ze zelf te verkopen op school en in hun buurt, overigens met weinig succes. Zijn broer verloor uiteindelijk interesse, Robert bleef echter tekenen en dromen.

In de lente van 1964 verhuisde de dan negentienjarige Crumb naar Cleveland, waar hij belandde bij de American Greeting Corporation, een bedrijf dat verjaardags- en andere kaarten produceerde aan een industrieel tempo. Hoewel het werk creatief gezien allesbehalve inspirerend was, hielp het de jonge Crumb om zijn tekenstijl verder te ontwikkelen. Belangrijker echter was het feit dat hij, beginnend bij zijn collega’s in de American Greeting Corporation, ook een vriendenkring begon op te bouwen en contacten begon te leggen. Dit was een hele ommekeer in het leven van een jongeman die heel zijn leven lang uitgestoten was geweest als een lelijke, graatmagere, brildragende nerd.

De tot dan toe sociaal verstoten Crumb ontdekte in Cleveland een groep personen die hem apprecieerde voor wie hij was, en waar enkelen in hem zelfs een soort ontwikkelende genie zagen. Voor Crumb zelf was echter het ultieme aspect hiervan de ontdekking dat ook de meisjes in hem geïnteresseerd waren. Heel zijn adolescente leven hadden die immers niet naar hem willen omkijken, maar hier bleek hij ineens wel succes te hebben met het andere geslacht. In deze scène ontmoette hij ook zijn eerste verovering en latere eerste vrouw, Dana Morgan.

Dankzij zijn nieuw gevonden zelfvertrouwen durfde Crumb het in 1964 eindelijk aan om zijn Kerouaciaanse levensideaal achterna te gaan. Samen met zijn kersverse, op verlatingsangst draaiende vrouw sprong hij op een Zweeds vrachtschip richting het verre Europa. Hier dacht hij te vinden wat hij in Amerika miste. Europa fascineerde Crumb; hij trok er uitgebreid rond en ontwikkelde zijn satirische kijk op zijn thuisland. Financiële moeilijkheden dwongen hem echter om naar de VS terug te keren. Ook zijn huwelijk met Dana Morgan bleef niet duren; Crumb was en is niet het trouwe type. Monogamie bleek niet voor hem weggelegd. Ook zijn huidig huwelijk met Aline Kominsky is een zogenaamd ‘open huwelijk’.

Tijdens zijn verblijf in Cleveland was Crumb een goede vriend en protégé van Harry Kurtzman geworden. Kurtzman was een van de oprichters van Mad Magazine geweest, alsmede de auteur van Little Annie Fanny, befaamd dankzij Playboy. Op het moment dat ze elkaar leerden kennen, gaf Kurtzman het magazine Help! uit. Het blad zou slechts enkele jaren bestaan -van 1960 tot 1965 – maar zou een belangrijke invloed uitoefenen omdat het zoveel verschillende talenten samenbracht en exposeerde. Zo leerden bijvoorbeeld John Cleese en Terry Gilliam elkaar hier kennen, wat later tot een vruchtbare samenwerking zou leiden in de vorm van Monty Pyton’s Flying Circus.

In Help! zou Crumb ook voor het eerst met het verhaal Fritz Comes On Strong de wereld aan een van zijn beroemdste creaties introduceren: Fritz the Cat. Fritz was in bijna alle opzichten de tegenpool van zijn geestelijke vader: vlot, zonder enige morele inhibities, sexueel succesvol en in controle. Dit in schril contrast met de sociaal onaangepaste, door zijn katholiek verleden getraumatiseerde en nog maar net ontmaagde Crumb. Crumb sloeg echter terug en maakte van Fritz geen held, maar een poseur; iemand die zich beter voordeed dan hij was, een grootprater zonder al te veel substantie of doorzettingsvermogen.

In het verhaal Fritz Bugs Out komt dit duidelijk op de voorgrond. Fritz komt in opstand tegen de gevestigde orde en onderneemt een zoektocht naar het echte en passionele leven. Het blijkt echter meer praat dan actie en uiteindelijk belandt hij gewoon terug bij zijn oude vriendengroep, veilig in de geborgenheid van het studentenleven. Het lijkt wel een satirische commentaar op de jaren ’60.

In 1967 belandde Crumb uiteindelijk in San Francisco, een kantelpunt in zijn carrière. De hippiecultuur, compleet met zijn excessieve drugsgebruik en seksuele uitspattingen, was in volle opgang en San Francisco was er het kloppende hart van. Crumb vond al snel zijn plaats in dit milieu. Tijdens zijn verblijf in San Francisco zou Crumb zijn herkenbare stijl eindelijk perfectioneren. Dit gebeurde echter pas na een slechte trip op wat hij omschreef als fuzzy acid. Naar eigen zeggen bleef hij maanden steken in een soort carnavaleske wereld die hij eindeloos schetste. Deze ervaring maakte hem duidelijk dat hij zijn eigen stijl moest durven ontwikkelen in tegenstelling tot de contemporaine stijl van striptekenen die hij tot dan had proberen na te bootsen.

De Katholieke remmingen die hem al heel zijn leven tormenteerden, zette hij finaal overboord en hij kotste zijn innerlijke wereld en verlangens uit over zijn schetsboeken. Dit liet hem naar eigen zeggen toe om een beter persoon te worden, omdat hij zijn eigenheid niet langer verborgen diende te houden. Uiteindelijk loste de trip zichzelf op met een nieuwe dosis lsd. De Robert Crumb zoals we hem vandaag kennen was geboren.

Intussen zijn we in de lente van 1968 aanbeland en publiceerde Crumb het eerste nummer van een van zijn meest invloedrijke publicaties: Zap Comix. Het nummer zou de blauwdruk worden voor een heel nieuw, countercultureel genre van strips, genaamd ‘Comix’. Zap Comix werd gepubliceerd met de hulp van Charles Plymell, een beatnik-dichter die op dat moment samenwoonde met Allen Ginsberg en Neil Cassidy. De eerste oplage bedroeg slechts tussen de 1.000 en 1.500 exemplaren en werd initieel door Crumb en zijn vrouw vanuit een kinderwagen verkocht op de straten van Haight-Ashbury.

Het magazine bleek echter niet alleen invloedrijk maar ook enorm controversieel. In New York viel de politie zelfs binnen bij City Light Books naar aanleiding van de verkoop van Zap. De verkoop werd uiteindelijk zelfs verboden. Een reeks rechtszaken wegens obsceniteit en het perverteren van gemeenschapswaarden volgde. Deze rechtszaken schaadden de verkoop van het magazine natuurlijk absoluut niet en leidden juist tot een nog grotere populariteit. Crumb merkte zelf ooit: “If you were a hip college student, you had to have an issue of Zap Comix next to your pot stash.” Het magazine prees zichzelf dan ook aan met de slogan: Fair Warning: For Adult Intellectuals Only.

Zap Comix maakte van Crumb uiteindelijk een held van de toenmalige counterculture. In het magazine introduceerde hij ook enkele van zijn beroemdste personages, zoals Mr. Natural en zijn neurotische sidekick Flackey Floont. Mr. Natural was tegelijkertijd een goeroe en een oplichter: Crumbs satirische personificatie van de popcultuur in jaren ’60. Ook zijn beroemde Keep On Truckin’-afbeelding verscheen hier voor het eerst. Die zou al snel een eigen leven gaan leiden, aangezien Crumb de intellectuele eigendomsrechten op deze creatie niet had behouden.

Crumb zijn stijl bleek controversieel. Velen vonden de vrouwenhaat en het gewelddadige karakter die zijn werk kenmerkten afstotelijk. Crumb maakte er geen geheim van dat vele van zijn creaties voor hem gewoon masturbatiefantasieën waren. Fantasieën die hij vooral voor zijn eigen bevrediging tekende. Dit werd hem door de opkomende feministische scène niet in dank afgenomen. In deze kringen werd hij dan ook bijna universeel gehaat. In zulke mate zelfs dat toen bekend raakte dat Aline Kominsky, zelf een striptekenares uit femistische kringen, met hem uit ging, zij door haar collega’s volledig uitgesloten werd als was ze een onderontwikkelde feministe.

Door critici echter werd zijn satirisch werk vergeleken met groten als Rabelais, Swift en Mark Twain. De kunstcriticus Robert Hughes zette zijn werk zelfs naast dat van iconen als Dürer, Breugel en Goya. Volgens Hughes was Crumb een van de grootste artiesten van de twintigste eeuw. De jaren ’70 gingen echter niet van een leien dakje voor Crumb. Hij werd verbitterder, gewelddadiger en de vrouwenhaat in zijn kunst werd explicieter. Vooral het feit dat sommigen zijn creaties wilden exploiteren en hem voor puur geldelijk gewin gebruikten, zat hem dwars.

Daarenboven begonnen de losbandige seks en het overmatig drugsgebruik zwaarder en zwaarder te wegen. In 1972 kwam Ralph Bakshi’s film, gebaseerd op de strips over Fritz the Cat, uit. Crumb haatte de film. Hij zou later de filmmakers beschrijven als een schoolvoorbeeld van het type personen dat zijn kunst wil perverteren om er zelf van te profiteren. Deze haat van Crumb tegenover de hem over het hoofd gegroeide kat zou uiteindelijk ook leiden tot de grafische dood van Fritz. Hij rekende met Fritz af op dezelfde manier als Stalin met Leon Trotsky: met een ijspik. Hierbij werd de rol van Ramón Mercader ingevuld door een doorgeslagen psychotische ex-vriendin van Fritz.

Hierna zou Crumb nooit meer een verhaal publiceren met het personage en elke andere poging tot verfilming van zijn creaties afwijzen. In de jaren ‘80 hield hij zich vooral bezig met de opvolger voor Zap ComixWeirdo. Zoals het echter de meeste verging, werd Crumb uiteindelijk toch gedeeltelijk gerecupereerd door het establishment waar hij zich tegen afgezet had. In 1994 verscheen er en documentaire over hem, en tegenwoordig levert hij zelfs af en toe bijdragen aan The New Yorker. Debord lijkt het bij het juiste eind gehad te hebben, toen hij beweerde dat het spektakel uiteindelijk zijn ergste vijanden incorporeert. Om nog even te verwijzen naar Ralph Bakshi’s film over Fritz the Cat: in zijn tijd verguist en gesanctioneerd met een R-rating, wordt deze film tegenwoordig op nieuwjaarsavond uitgezonden door onze publieke zenders.

Sinds 1991 woont Robert Crumb samen met zijn vrouw Aline Kominsky-Crumb en zijn dochter Sophie in Sauve, gelegen in het zuiden van la douce France. Hier zou hij naar verluidt een huis gekocht hebben in ruil voor enkele van zijn schetsboeken. Naar eigen zeggen verhuisde hij naar Frankrijk omdat hij het als “slightly less evil” dan de VS beschouwde. Momenteel werkt hij aan een eigen grafische interpretatie van het Bijbelse hoofdstuk van Genesis.

0 Comment